Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een dronken boer gaat ,a avonds laat naar huis, En heeft geen lucifers in zijn buis.

Hij loopt de stal in, door de duisternis, En denkt na dat hij in zijn kamer is, Hij kleedt zich uit en voelt iets in't gezicht, Hij denkt zijn vrouw, die hier te slapen ligt. Yol teedere liefde kust hij zoo'n groot zwijn, Hoe kan een mensch toch zoo mesjogge zijn. (bis)

Marietje was een meisje, zeer geeerd,

Die vaak met heeren had gecocetteerd. Op zekeren dag verdween ze uit de stad, Men zei dat zij een been gebrooken had, Zij kwam terug en begon weer als voorheen, En sinds dien tijd breekt ze ieder jaar een been, Dan gaat ze naar de Alpen of de Rijn,

Hoe kan een mensch toch zoo mesjogge zijn. (bis)

Des Zondagsmiddags om een uur of vier Gaat Anna wandelen met haar grenadier, Hij Kust haar stevig, haast is het gebenrd, Dat in het gedrang haar blousje is gescheurd, Als hij haar kust, dan is het niet gemaakt, Aij doet 't flink dat ieder beentje kraakt. Hij bijt van liefde haar neusje kort en klein, Hoe kan een mensch toch zoo mesjogge zijn. Cbis)

Een vader met een zoontje van acht jaar, Ontmoeten in het bosch de ooievaar,

De vader sprak Louitje kom eens hier, Die bracht je broertje dat mooie witte dier. Louitje lacht en antwoordde sebiet:

Zeg, vader, dat geloof je zelf toch niet ?

Yertel die smoesjes nou maar niet aan mijn, Hoe kan een mensch toch zoo mesjogge zijn. (bis)

Sluiten