Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat, wie is 't die 't geloovcn zou. Mijn moeder was een vrouw.

In 't bed te slapen is geen kunst,

Een haas slaapt in het veld, Stokslagen krijgen is geen gunst,

Mooi praten geeft geen geld.

Maar dat houdt men toch voor gewis, Dat ham met mosterd lekker is, En men gelooft in 't algemeen, Dat twee meer zijn dan één.

Het vrolijk zijn is onzen wensch,

Een trekmuts is geen broek, Een neger lijkt veel naar een mensch,

Struif is geen peperkoek.

Een wind dat is geen onweerslag, Al waar het ook bij zomerdag.

Maar dit is zeker en gewis, Dat liegen zonden is.

Juffrouwenmondjes kussen fijn,

Een pannekoek is plat,

Pompwater laat ik voor den wijn,

Wie niet meer lust is zat;

Een olifant dat is geen mug,

De kemel draagt meer op zijn rug, Dan zeven vlooien kunnen doen Een oorvijg is geen zoen.

Wanneer gij snorkers wordt gewaar,

Zoo blaast eens dat het kraakt, Het oude spreekwoord zegt ons klaar,

Dat zingen dorstig maakt Ik kan niet drinken zonder drank. De wijn geeft toon en maat en klank, En houdt toch altoos voor een les, Elk liedje kost een flesch.

E. W. VISLAAKE, Rozenstr. 148 Am.

Sluiten