Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zulks nu aan zjjn heer vermeld,

Hij was verschrikt, als hij nu had gelezen,

Dat hjj wel gemaskerd moest zijn,

Den volgenden dag in 't strijdperk moest wezen, Om hier zijn jonge leven kwijt te zijn

9. Och, teeder schepsel wat wilt ge toch beginnen legen een ridder zoo wreed van gemoed?

Gewis hij zal u zeker overwinnen.

hj c'oen stroomen uw jong teeder bloed,

Met heldenmoed stond zij hem af te wachten.

En ziet van verre, —ja daar komt hij aan, Ja wraak alleen, dat kon haar leed verzachten Uit liefde wil zij als man tegen hem staan.

10. Meer dan een uur stonden zij te strijden. De schoone Emma verliest geenzins den moed

bn zware slagen vielen van beide zijden,

Doch op t laatst stroomt haar onschuldig bloed, frtort van het paard, zij schijnt niet meer te leven.' Kidder Rudolph sprong nevens hare zijde neer, Ontmaskert haar en hij begon te beven,

En riep : O, God almachtig Heer !

11. Zijt, gij het Emma, de schoonste die ik minde, Üin wien ik heb van hare eer ontrukt.

Wilt gij u wieken aan mij een ontzinde ?

En heeft terstond het harnas afgerukt.

Hij zingt het blot d, doch het wilde niet meer vloeien,

lig riep, o hemel, mijn Emma is niet meer, Och deze boom had nog jaren knnnen bloeien,

Ln hij viel toen in hare armen neer.

Zag een blief haren ljoezem ontvallen, Jin deze was aan hem geadresseerd,

Dit maakte hem 't nieuwsgierigste van allen,

ï had een kind dat van niemand werd geëerd. Uit hoogen stam en toch onecht geboren,

Dat hij meest denken 't was zijn vleesch en bloed.

Sluiten