Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glazen pot. Duif kluift een Engelschen bokking. Van haar vingers druipt vet op de japon, wat ze met haar mouw afveegt. Karei doet 't netter. Met 'n zakmesje priemt hij stukjes uit zijn bokking, arrangeert ze op 'n warme boterham. Stientje, Scherp, Guus hebben 'n homp paling —, ik eet 'n warm-kleffe boterham met vier sardines. Er wordt weinig gepraat. Duif is de eenige, die met 'n vollen bokkingmond doorslaat over allerlei dingen. Maar niet zoodra zijn de vette vingers aan de zakdoeken drooggewreven of de gemoedelijkheid komt er in. Guus is aan haar derde brandewijntje. Ze kan er uitstekend tegen, vooral als ze haar corset heeft uitgetrokken, wat ze dadelijk na het souper doet. Meestal klaagt ze over maagpijn. Brandewijn is daar zoo goed voor. Duif is het laatst klaar. Ze heeft van alles gegeten, bokking, garnalen, paling, sardines en vier warme boterhammen. Dan vindt ze dat het in de kamer zoo warm wordt, schuift Karei 't raam op 'n kier. Duif heeft een beminlijke maag. Voor 'n paar weken was ze jarig, „tracteerde" zich in De Groote Slok, 's nachts twaalf uur op een bord erwtensoep, een gemarioneerden haring en een kop waterchocola, om te bekomen van de katterigheid van 'n bitterfuif.

„Stien, zou je nou niet naar je bed gaan?"

„Nou laat 'r nog effen opblijven."

„Stien, doe Veltman nog is na."

„Nee, nou niet," zegt 't kind verlegen.

„Kom nou Stien! Je heb zoo'n lekker stukkie paling gehad."

't Bleeke kind kijkt met 'n schichtig glimlachje de kamer rond, die blauw van damp staat, loopt terug naar de deur, bootst de zwaar-gerekte stem met de eigenaardige intonatiën, het drukken op de en's, het hooge terugspringen van den acteur na:.... „De koningin.... is.... dood.... Over twee minutèn .... ben ik vadèr.... Volg mij Denise.... naar het slaapvertrek!" — We brullen allen van 't lachen, 't Kind krijgt 'n kleur van pleizier, parodieert in 'n tweede holle phrase: „ ... Dat warén jouw nachtelijke uitgangèn!... Ha!... Dat was dat kostelijk plan — ha!:— om fortuin te makèn — ha! — En als je nou niet al je geld had verbrast en verspeeld — ha! — Dan had je intijds naar 'n goedèn schoonzoon voor Nelly kunnen uitzien — ha! —Leelijke, ellendige, nietswaardige, erbarmelijke gggèk!".... Duif ligt met gillen van lol achterover.

„Wat 'n mirakel van 'n kind! Toe, Stien, doe Frits nou is na."

Sluiten