Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewone leven, tegen de nieuwe lessenaars van z'n kantoor, tegen z'n eerwaardigheid, tegen vroeg-naar-bed-gaan. Dat, die blonde, suikerzoete, vlaamsche jeune-premier, die met een getrouwde vrouw leeft. Dat is 'n kleine makelaar in assurantiën. Dat de vrouw van een acteur, van wie Guus en Duif verhalen doen van nou-nou. Dat, een soufleur, die z'n vrouw mishandelt, als ze gewetensbezwaren heeft tegen z'n laat thuiskomen of wegblijven. Dat, een failliete behanger, nu redacteur van een politiek spotblad. Dat, 'n komiek die twee maanden getrouwd is en in scheiding ligt, omdat zij zich niet wil laten ranselen. Dat, een diamantjoodje, die kennis heeft aan „artisten". Dat een jonge componist, die veel vrinden bij de kranten schijnt te hebben. Er zitten er véél meer. Voor en achter. „Ook een paar „mintenees" uit de Pijp.

„Zoo nachtpitten!" — „Wel jezis, Piet, wat hé-je 'n mooie das an!" — „Dag Guus." — „Dag lief-ie!" — „Goverdomme daar hé-je dat ouwe kreng ook!" — „Zoo sallemander!" — „Annemen!" — „Duif, hé-je 'm weer staan als 'n dief ?" — „DagGuussie, dag kind." — „Wie geeft 'r?" — „Annemen!" — Er is nog één tafeltje voor ons. Groc. Groc. Groc. Groc. Duif' eet een portie mosselen, Guus 'n stuk gebakken visch, Georgine 'n broodje met vleesch. Ze hebben wel allemaal in De Slok gesoupeerd, maar tegen drie krijg je trek, krijgen zij trek. Aan de groote tafel spelen Piet, de schilder, „die advocaat", de jeune-premier, de soufleur, en het diamantjoodje.

„Jezus Mirande !" roept Guus: „wat gokken die!" —De jeunepremier zit met een verhit gezicht achter de „bank". Z'n oogjes zijn klein. De blonde haren trillen op de papkoonen. — „Schoppenboer!... Ruitenaas !" — „Nou dan! Nou !" — „Daar gaat me riks !" — „Klaverenvrouw!" — „Wel Jezis Christus!" — „Ik schei 'r uit!" — „Das godverdommis vuil!" — „Wa's godverdommis vuil?" — „Om uit te scheijen met zooveel winst! Geef 'n ander dan ook 'n kans!" — „Jij kan krijgen wat ik jóu wensch! Ben jij belazerd! Gisteravond heb ik twintig gulden verloren!" — „Dat lieg je! Jij wint altijd! Is 't waar of niet?" — „Nou ik verdóm 't! Jij maakt altijd stront as je verliest!" — „Kom nou, nog één bankie. Wees nou niet flauw Sjaak!" —„Nee!"—„Wat bè-jij 'n verdommeling ! Kom nou, Sjaak !" — ,,'k Heb om tien uur repetitie." — „Hebbie dan niet an zes uur slaap genoeg?" — „Kom nou Sjaak! Ik geef nog 'n rondje. Annemen!" — „Die advocaat" houdt de bank. Ze steken versche sigaren op, beginnen

Sluiten