Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar heb je haar. Ben ik te vroeg dan is er iets, iets dat geen verdriet veroorzaakt, geen grooten spijt geeft, iets dat alleen een harmonie verbreekt. Ik ken meer van die oogenblikken van verstoord, wankelend evenwicht in mijn leven. Ik kan ze wel tellen, tellen in de wazen mijner herinneringen.

Dien morgen op de duinen. De zee in de verre verte. Nóg verder nevel. De duinen, groen en bruin èn groen, inklotsend op elkander in den nevel. De wolken vaal. Wat zeemeeuwen. Een heel groote-meeuw scheerend op den wind.

De helmen wuiven. Ik hoor het ritsen, hoor het kalme ge waas van de zee. Bijna voel ik me gelukkig, bijna, door de stilte, den nevel, het groen, het bruin, het helmengesvir, het gewaas van de zee. Maar benee over den weg loopt een man, zwartjes tusschen het groen, met twee honden aan een touw. Je kijkt hem na tot hij weg is; hij den hoek om, de honden den hoek om. Even blijft hèt weg. Hèt. Je denkt aan den man, aan zijn honden. Twee puckjes. Puckjes. Je kijkt naar je laars die op 't zand drukt, naar.... de.... koperen.... pinnetjes .... De wind waait strak tegen je hoofd. Je hoort weer de zee, het gewir van de helmen. Je ziet de duinen, plomp en log in den nevel, de zee grijs in den nevel, de meeuwen mat drijvend in den nevel. Je voelt het lieve leven der dingen — je weet dat die man wèg is, wèg met zijn puckjes, dat er een groote teerwonderlijke strooming is uit

jezelf uit.... je . . . zelf .... naar de kuif-knorrende helmen,

de schaduwglooiïngen van bruin en groen, de nevelvlakte van zee. Het koude zand klamt tegen de palm van je steunende hand. En dan, dan, met eene lichtelijke-opjuiching, terwijl je onbewogen gehurkt blijft, onderga je plotsling een groot geluk, een onmeetbaar, wijd-uit-deinend geluk, geluk van teer-lila, kartelendviolet, geluk dat niet schokt, niet verbaast.

Of toen :

Dien avond. Toen je wandelde langs den Amstel, heel eind weg... en neerzat in 't gras bij het water.... Maan vaagde

achter wolken witte wolkranden, vinnig-wit, als marmer in

zonlicht ... Wolken dreven haastig, opgestuwd, loopend, loópend .... Water kirde tegen riet, tegen walkluiten in het donker. Dan was de maan er weer, in melkwit tusschen groezel-wolkjes, zag je de boomen aan de overzijde als legers in nacht met wuivende vanen, zag je de doezlige reflectiestreep in golfjesgewiegel met een zilver maantje dat in het water bolde, te glijden scheen,

Sluiten