Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zag je de biezen, de knikklende waterplanten — je knieën, je handen, wit tegen zwart.... Dan was ze weèr weg, achter 'n wolk, 'n roetzwarte — zat je te soezen waar ze 1111 was, óf ze nog komen zou — of dat een gröote wolk was — of je wèer zou zien aan de overzij het gepluim van zwarte vanen, het golfjesgewiegel met bollend maantje — of je nog lang wachten moest — in het donker — of ze haast kwam — of ze misschien wegbleef. — Nee — Nee — Daar kwam ze — Daar was geschemer, daar wegzilverde het zwart, dreven roetvlokken over een transparant.... Daar was ze..,. Kwam er al gauw een andre wolk ? — Nog niet. — Je zag er geen. — Het kon wel lang duren. — Je kon zoo even blijven zitten, met je handen om je knieën bij de lichtgeul, bij het sikkeltje in het water, bij de golfjes, bij de biezen, in de stilte .... in ... . de .... stilte .... met aan weerszijden de scheemring.... het donker.... aan de overzij de drommen van zwarte menschen en wuivende vanen ... Hé, wat was dat zachtaangenaam, meegaand-vrindelijk, goéd .... goéd . .. Hoe voelde je nu alles .... het harmonieus verband van licht, stilte, schaduwen, thiistringen .... En was het er weer. Hét; de enorm-schoone wisselwerking, die zachtekens, rustig-sterk, uit je klein, hulpeloos lichaam groeide naar het spraaklooze zwart, naar het luidlooze licht, naar het water en je voeling gaf van een niet broos, niet versterfbaar geluk.

Of toen:

Je zat voor het raam, keek naar het weiland met koeien. Achter in een bocht, werden de huisjes belicht, kalkachtig-wit, tegen het groen van de wei. De zon speelde zoo wat Schaduwen kropen in lange lijnen over de pluizing van gras. Licht draafde er achter. Wat de koeien deden kon je wel hooren. Gras scheurde rasperig tegen de tongen. Als nu die hond niet meer blafte. Die hond van den bakker. Die hond die buitengesloten was en kermachtig jankte. Zou je '111 geen trap geven? Hoor. Hoor. Wat prikkelt dat. Wat slaat dat de stilte van wei en groen. Ging niet de schel over? Jawel. Pieng. Pieng. De hond moest nu binnen wezen. O, wel mooi nu de stilte. Geen enkel afleidend geluid. Alles egaal. De tongen scheuren het gras zachjes, zachjes. De schaduwlijnen schuiven over de wei. De geveltjes verschieten van kalkachtig-wit tot stil-grijs. O, wat is hèt nu verheugend, van een zacht inwikkelenden weemoed, van een luchtig-stille ziele-drijving naar het land, naar de luchten....

Ik hou van haar.

Sluiten