Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI.

Eerste diner bij Gf.orgine.

Langzaam opwandelend, slenterde ik de Galerij door, bleef kijken voor de uitstalkast van Citroen. Zou 'k haar een ringetje .... 'n heel goekoop ringetje ? ... Maar 't geld ? ... Zou-die me op crediet ?.... Zoo n man kende je heelemaal niet.... Toch is vragen ....

Of ik Spier was, de schrijver ? . ... Wat-je al bekend werd .... moppig, hè ? .... Ja, die schrijver was ik .... Nou, dan wou-die 't wel op 'n maand geven.... Wat of dié kostte?.. . Dertien gulden .... Dertien ?.... Nee, geen ongeluksgetal .... Wat of

dat kettinkie dée?.... Veertien Nou die was goed. Met 't

gladde, kleine doosje in m'n hand, belde ik an Albert Cuyp.

„Wie daar ?"

„Ikke, juffrouw Bok."

„Wie?"

„Is juffrouw Casper thuis?"

„Kom u maar boven. Ze leit te slapen."

Voorzichtig sjokte ik de donkere trap op, trappend op stukken steenkool, die met 'n knap vergruisden. In het donkere portaal, vol van 'n nattig-zoete bloemkoolstank, waren de schemervormen van 'n paar glurende kinderen.

„O, is ü 't, meneer Spier, 't Is smerig weertje vin u niet?"

„Slaapt de juffrouw?" vroeg ik.

„Strakkies lei ze op de kanapee."

„Waar is 't kind?"

„Bij mijn achter.... Mot u d'r hebbe ?"

„Ja. Heel graag."

Sluiten