Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De juffrou van hier" ...

„Wanneer het-die je dat gezegd?"

„Nou-ou vanmiddag toen 'k met Koosie speelde.'

„Malle meid, geloof je nou wat de juffrouw zegt? Die houdt je voor de gek... Oome Alfed gaat strakkies weg en as je dan zoet slape gaat en niet huilt komt mamma je hale."

„Heeft oome Alfed 'n eigen huis?"

„Natuurlek. — Ga nou slape. — Niet zooveel vrage.

„Ja mamma."

„Zeg nou je gebedje."

Lachend naar ons kijkend begon ze: „Onze vader die in de hemelen zijt"... Wat 'n pracht van 'n kind was 't zoo, met het kleurtje van opwinding, het gebrabbel van :t gebed, terwijl de schitterende oogjes niet van ons af waren.

„Zoo goed mamma?"

„Heel goed. Dag snoet."

„Dag mamma."

En dan moest ik haar zoenen — nee zóó niet — nèt zooals mamma.

In de voorkamer maakte Georgine zich ongerust over 't praten van 't kind. — Als ze zoo iets zei waar d'r moeder bij was of dat pestwijf van Stengevis, ha-je de poppen an 't dansen. Ik had makkelek lache.

Juffrouw Thomas zette thee klaar, haalde illem II, ^ illem III, Rebecca, Jozef en de vaasjes weg. Alléén in de stilte der kamer, over elkaar, bij de thee; die te zingen stond, alleen over haar, zoo ze zat met goudpluimingen kransend om 't hoofd en met 't breede verschiet van den langen avond, die als een lichtblauwe koepeling voor me lag, voelde ik voor t eerst in de leegte der jaren, dat ik lééfde, dat 't leven èn hooger én schooner was dan triestig-lange maanden van zwarte eenzelvigheid het gedroomd hadden.

Na de thee werkte 'k. De zinnen gleden zeker en rustig op het papier, uitvloeiend de lichte stemming van 't oogenblik, wieglend op klokjesgetik, op de licht-grijze, ver-wijde zee van geluk. Georgine las. Toen mijn bladzij vol was, keek 'k over haar schouder, zag 'n heele reeks zinnen als: — „Arme onschuldige maagd... ik heb u in het verderf gestort... en dat alleen omdat gij mij niet bemindet. — Dan gloorde een straal van manhaftigheid in zijne oogen en vastberaden zeide hij: vIk heb gezworen, ik zal

Sluiten