Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer was — en vijf minuten na die huilpartij, na haar woede en mijn kregeligheid, stonden we allebei op, stak ik de lamp aan, waschte zij zich in de alkoof, spoelde ik me af bij de tafel, waar de snippers lagen, waar 'n afgerukte voet dreef op 't nat bakje van een kopje met koffiedik. Dan liep ik me af te drogen, keek naar de leege plek boven het kastje, had een vreemd, zonderling gevoel — gevoel van onvoldaan, triestig mensch met bevredigd lichaam. En in bed wéér, in het donker, terwijl haar rustige, warme ademhuifjes in mijn hals puften, keek ik in de verre, vérre donkerte, die onze twee lichamen als een lijkwa omgaf. — „Hou je van me? — Hou je van me?" —, vroeg ze, kinderlijk, vóór ze voor goed slapen ging. „Ja. Zéker" —, zei ik, mijn arm om haar lijfwarmte. Haar ademhuifjes bliezen warmer op mijn bloote borst en mijn oogen keken vol-open in 't donker, alsof ik nog was achter het masker van Sinterklaas.

Zoo was de éérste ruzie. Ik heb dagen gehad, dat Georgine's ijverzucht mij drukte, hanteerde, dat 'k diep en met meerder smart voelde den jammer van burgermans-leed in klein-warme kamers, uren zelfs dat ik haar haatte. Het zijn de kleine dingen die bij tijden het leven tot een walg maken het koppig zijn van eene vrouw —, het langdurig, gemelijk kibbelen met vlaagjes van drift —, het mokkend gezwijg —, het thuiskomen in een niet opgeruimde kamer, als de vrouw onwillig te bed ligt _ óf als 't eten te dampen staat en ze niet eten wil —, het zijn de kleine dingen van vijandschap — mokken — boudeeren — die al de benauwenis van kleine kamerwanden, lamp, stoelen, tafel, kast, prentjes — heet naar de keel jagen, het hoofd doen branden van kleine kamertjessmart, wijl er zooveel schoons, goeds op de wereld is en al het schoone, het goede van den sterksten man vastgenepen ligt aan morrelende, ophitsende, kamerkleinigheden. En dit vind ik van een zulke droevige smart, van een zulke smartelijke wanhoop dat ik over mijzelve in geen uitgesponnen details wil treden, — wat een nutteloos verwijt zou zijn aan de vrouw die ik liefheb èn een verontschuldiging voor de eigen kleine-kamertjes-gebreken. Er is geen ontloopen aan, geen ontkomen. Kamertjesleven heeft ons vast, houdt ons allen gestrekt op een martelbank. Verleden, herinneringen zijn bedrog. Verleden is ons tot een samenstel van feiten geworden, dingen die zijn bijgebleven door meerder vreugdelijks of smartelijks. Maar het gewéldigst, benèpenst, droevigst van datzelfde verleden,.

Sluiten