Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glanzige oopbuikigheid stonden de glazen; voor elk bord een waterglas met kristallen voegen, een dun spits wijnglas, een mat-groen witte-wijn-glas. Op de baan van teer blauw-vloeipapier hoekten in elegant-slordige regelmaat schulpvormige schaaltjes van wit-met-blauwen-rand, vlootjes van gele citroen-strakheid, prunellen in bruine glim-saus, amandelen, rozijnen, pistaches en andere kleurige lekkernijtjes. Het was van een welgedane, zachtvrindelijke weelderigheid. — „Maar Spier" — zei tante, die papa bij z'n achternaam noemde: „dat is 'n hêel souper." — „Nou n héél souper," zei pa, zich inknuffelend in den leunstoel: „ n soupéetjè." — „Nou als u dat 'n soupeetjè noemt," helder-lachte Busse: „dan weet ik niet wat 'n soupér is." — „'t Lijkt wel 'n fééstdiner," zei Jules, huiverig van 't gaan door de marmergang. - „En wie heeft 'r zoo kéürig gedekt ?" informeerde tante— „Ik tante," knikte Coba: „ik heelemaal alleen." — „Nou ik heb de servetten gevouwen," beknibbelde Gerda, lachend. — „En heb ik jullie niet meegeholpe ?", vroeg Tilly, hoog-van-stem: „wie heeft de glazen nagewreven ?" — Da bracht de eendebouten binnen, vier bruin-glimmend met voorsnijmes en vork er naast. „Maar méneer ... viér eendeboute ... Hoe kome we daardoor' — lachte juffrouw Henriette Rons sentimenteel-verwonderd. — „We kóme er door," zei vader, de tafel rondziend met blije genoegelijkheid in de oogen nu de vier eendebouten de algemeene attentie hadden. Zonder 'n groot eter te zijn, liad-ie 'r, als er gasten waren kinderlijk plezier in wanneer de enorme quantiteiten visch of gevogelte, 'die hij zélf kocht, verrukking of verwondering gaven, „Zoo is me man altijd," zei moeder: „altijd bang dat

'r te weinig is... 'k Zou 'r maar twee ansnijjen... anders wordt 'r niets van 't andere gegete." — „Och ma 't gaat wel op, beweerde Gerda vlug-handig. Ze wist hoe pa 'n hekel had aan zulke opmerkingen. - „Ze zijn op tafel en ze zullen gegeten worden. Vier eendebouten met z'n twaalve... 't Is op 't randje

af," „Gut, meneer hoe reken u dat?", vroeg Henriette senti-

menteel-lief. — Kun je van 'n kip of van 'n eendebout" — lei vader uit, terwijl 't zilveren mes het bruine vleesch sneed: „iéts anders eten dan de vlerken, de pooten, 't wit ?... Nee niewaar. Mijn vrouw zou graag iedereen 'n kluif geven, maar dat doen we alleen als we entre-nous zijn... Hoeveel is vier maal vier . Zestien, niewaar? ... Wie heeft dus gelijk, ik of me vrouw?" ... „Wat 'n redeneering," zei moeder, haar neus vertrekkend. -

Sluiten