Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over de zwarte weduwvrouw." Nou maar èrg kooscher is zoo'n kaart niet," schudt Cornet — „Dat wil-die nou niet geloove, als 'k 't 'm zeg,'' zegt Georgine —: „en hoe was 't nou bij je thuis ?" — Ik vertel en Georgine doet ook haar verhaal. Die Leentje Staas was engelachtig lief geweest. En wat 'n nette man. — „Ja 'n lobbes," bevestigt Cornet. — „Die is dan toch maar goed op d'r beene terecht gekomme," peinst Georgine: „k zie 'r nog in de Vic — als ze een stnkkie schmink kwam leene — of als ze op appelbolle tracteerde... Herinner je je nog wel Cornet ?" „Nou — öf ik," zegt Cornet, vochtig van herinnerings-oogen : „toen was Michel 'r ook nog." — „Ach got ja — die goeie Michel" . .. „En Chris... Weet jij nog van Chris?" — „Was dat die lange ?" „ .. . Juist... Juist... die is hier voor 'n jaar gestorreve." — „Got, is die lange Chris dood?" — „Ja-ja. Leentje Staas getrouwd en jij getrouwd." — „Noü .. . getrouwd . . aarzelt Georgine. — „Dubbel getrouwd dan," lachtschudt Cornet: .. en ik — ik ... wat kan 't gek loope in de wereld, hè, Georgien ? Wie had dat gedacht die me voor vijf jaar kende, da'k kamers zou verhure op de Diergaardesingel in Rotterdam, hè ? Toen maakte ik nog me kuiteflikkers, hè?" — In 'n dronkenschap van herinnering, springt ze op, slaat 'n cancan. — „Zoo jongens, godverdomme — neem me niet kwalijk meneer — zóo: al ben 'k oud, de fut zit 'r nog in!. .. En nou zal ik jullie is 'n potje bier schenke." — „Die ouwe Cornet," lacht Georgine: „Wil je geloove Alf, dat zij voor vijf jaar een van de sjiekste mintenees was van Den Haag? Got, got, wat had die 'n meubeltjes. . . Daar kreeg je trane van in je ooge" ... — „Ja me voorkamerameublementje, wéét je wel," zegt Cornet met verliefd-gelukkige herinnering op het ouwelijk gezicht: „ja meneer — óf zal 'k maar Spier zegge ? Ja, hé ? ... Ik ben nog zoo'n óuwe, zoo'n heel óuwe, jongens — zeg, tusschen haakies, 'k geloof da'k 'm 'n beetje om heb gekrege. — Ja me voorkamer, wat was dié goddelèk, hè — hoe was-die Georgien ? — Vertel jij 't is" ...

„... Ja die was nou nét wat je noemt góddelik," zegt Georgine: „van die meubeltjes van zalmkleurig moiré met vergulde leuninge — als je bij d r binne kwam zag je éérst een donkerrood tapijt. — Nou daar dee 't moiré en 't goud prachtig bij en héél licht behang, niewaar? .. Ja dat was échte sjièk" ... „...Ze ware allemaal dol, die bij me kwamme," vervolgde Cornet, met een nattig-verliefd kijken naar de peer van de

Sluiten