Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

makkero!.. Kom is an me lijf!... Kom is an me!... Oe!... Oe!... Oe! Die kèè-rel!... Die kèèèèèrel!... Oe! Oe! Oe!"

Haar ingehouden galmen braakten over in vette strotbrullingen. Voor de deur viel ze op den grond, de handen krampachtig vastgewroet in de haren. Haar oogen glansden wijd-open. L it den vierkant-verrimpelden vleezigen mond rauwde het gorgelend strotgebrul, dat in de halfdonkere kamer als dierlijk gejammer rondkrijschte.

„Hoü dan toch je bèk, Duif", smeekte Dirk, gedempt: „denk toch an de büre!" Z'n sterke armen schudden haar heen en weer.

„Ze heeft 'n toeval," zei Meiier, stroef, die haar van ouds kende.

De juffrouw van boven klopte juist an, duwde de deui tegen den vleeschklomp op den grond, wrong zich door de deurkier, knielde meê.

„Ach gotogot!... Het de stumper 'n toeval!... Ach Jeesis!... Ze hield ook zooveel van die Stién!. . . Ach gotogot!" ...

Ze snoot haar neus van aandoening in haar paars schort, begon Duif in de handen te kloppen.

„Late we d'r bij óns brenge," zei Dirk.

Met hun vieren droegen ze Duif naar de voorkamer, waai het rauw gekrijsch zwakker weerklonk.

Ik ging licht-bevend naar de bedstee, keek naar het waswit doodehoofdje, vermarmerd in 't slappe kussen, schoof de gebloemde gordijnen voor het schemervierkant. En gaande naar de voorkamer trapte ik tegen den hoogen hoed op den grond.

Thuis wachtte Georgine, ongerust, erg nerveus om Ka, die naast Netje in de gangbedstee, bezweet, hoogrood te woelen lag, telkens benauwde hoestbuien had. Doedelaar en zn vrouw waren dadelijk na mijn vertrek begonnen met sarren. Den heelen avond hadden ze gezongen, lawaai gemaakt.

„Dat zal 'k ze morgen wel inpeperen," dreigde ik. — „Ik ben zoo ongerust! Zoo ongerust! De hond benede heeft strakkies zoo akelig gehuild." — „Klee je nu maar uit..." — „En die dood van Stientje!... Als God mij nou eens strafte, Alf, voor m n slecht gedrag!... — „Wellek slecht gedrag? Heb je je iets te verwijten?" —

„Ben 'k dan geen slèchte-vrouw!" huilde ze greiend-nerveus.

„Slécht? Slécht? Wat slecht?"

Sluiten