Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heil dan o lente, met uwe gouden stralen,

Betoov.'rend schoon zijt ge door 't zilveren gekweel,

Als blank zacht, leeuwrikken door t luchtruim dwalen, Van topazen blauw, wolkjes zacht en geel.

Aldus waren de naïve gedichten mijner ingeslapen vrouw. Een allerlaatst vers was zoo begonnen :

XII.

Ziek! Is ze ziek

mijn lieve kinderkopje!

mijn roze knopje!!

bloeide ze om me heen.

O laat mij God nu klagen

Hoor aan mijn stil en droef geween

Het is uw schuld!, zoo klaagt thans mijn geweten

Het is uw schuld!

O, ik kan niet meer schreien

Ik zal...

Hier was ze zeker opnieuw begonnen te schreien en naar het

kinderbedje gegaan.

Naïf-mooi, dat probeeren, dat gedeeltelijk kinderlijk stamelen en Kloos er naast. Het laatste vers was ze dien avond begonnen. De andere waren van verschillenden datum. Jawel jawel lief _ heel gebrekkig — gevoelig — maar waarom die regels... „Ik heb verdriet... mij kwelt een bitter leed" ... waarom ?... was dat verzenmakend gejókt? ... Of had ze dingen die ze niét zei?... Goeie snoet!... Hoe heerlijk dat ze geen literaire vrouw was, géén aanstaand lid voor de Hollandsche Maatschappij, maar een vrouw!... Met een schrik sprong ik op. Georgine werd wakker. „Dag Mol, hoe is 't met Ka? zei ik onnoozel. „'t Zelfde... Kom je pas binnen?" vroeg ze wantrouwig. „Nèt."

„Je heb toch niet me papiere" ...

„Wélke papiere?"

„Héüsch niet?... Later mag je 't lezen, nóü niet... Heb je heusch niet geleze?"

„Heusch niet."

Sluiten