Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijlstemmetje klonk... „Iene miene mutte ... Iene miene mutte ...

Ienemienemutte..

Georgine was opgestaan, lei in haar hemd op de bloote knieën op 't koude zeil gehurkt, kloppend het rugje als er 'n hoestbui kwam, zacht-klagelijk neuriënd .. . „Suja ... suja ... suja ... kindje"... als Kaatje koortsig wakker kwam.}

Brandend van moeheid keek ik toe naar dien witten, geknielden vorm met de afhangende haren, naar 't kermisbedje, beluisterde het geijl, de schampere, vreemde klankjes ... „Hake en ooge ... tikke-takke-toge — goudpapier — tierelierelier. .

In mijn loomzwaar hoofd kreeg ik één enkel moment de malle, klare visie van den ... lief glimlachenden man... met z'n hoog puntboord... z'n mooie das... z'n glad geplakte haar om 'n vierkant hoofd.

Volgende dagen waren in buien van gerustheid en spanning, 't Kind was hard ziek, soms monter, vroolijk, soms kregel, lusteloos, maar altijd met koorts.

Juffrouw Stengevis kwam één keer op bezoek met kleine Toos.

„Soo, Sorsien... ik kommie nog maar is opsoeke... Jij laat niks van je hoore... D'r is 'n brief met geld uit Amerika... heb 'k maar voor je afgeteekend... googem van me, hè? „Met geld?... Met geld?... 'n Brief„En is-die kleine Ka soo siek?" — „Ja moeder... ik ben lekker ziek... Dag Tóósie!" — „D'r onder blijve, Ka." — „Ja oome.' — „God, waarom zendt die man me nou nog... geld, zei Georgine angstig, bleek. — „Ja, dat begrijp 'k ook niet," zei ik, onaangenaamverrast. — Juffrouw Stengevis, vies van leed-lachje, met t ouwe viezig velbobbelen om den blauwig-dunnen neus, wreef de kalkhanden in den zijden schoot. — „ ... V at sou 't ? ... Wat sou 't?... Mot-ie niet voor sijn kindere sorge, die swabber?' — „U had den brief niet moete afhalen," zei ik. — „Niet motte afhale?" — „Nee," zei Georgine, altijd-nog-bleek, „'k wil van hèm geen cent meer ... 'k Zend 't zóó terug." — „W el godallemachtig wat 'n onsin, Sorsien!... En mot ik nou nóg langer wachte ?... Hoeveel weke krijg ik wel ? ... Ik kan 't soo lang niet uitsinge ... Je sal 't wel late... Sal jij mijn huur betale?"... — „Over 't geld hoef u niet ongerust te zijn," zei ik, ongeduldig. — „Seker. Seker. Ik ben ook niet ongerust — Maar 't is nou wel seve weke — dat kan 'k niet uitsinge... En verschot van 't kind!... Geef jij mijn maar 't geld van de angeteekende — dan geef ik

Sluiten