Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Bij u? Waarom niet op haar éigen kamer?"

„Ze wou voor geen licht op hebbe ... Als 't rijtuig wéér komt... met d'r man ... begrijp u... en dan voor licht op ... dat staat zoo akelig... vin u ook niet ?"

In de voorkamer brandde de haard, lichtvlammingen laaiend naar het plafond. Ik liep de tusschendeur van de alkoof door, zag Georgine, die aan 't kleine, bezeilde tafeltje zat. Kaatje, aangekleed, met haar Zondagsch bloemenhoedje op, vloog op me toe, Toos zat op den schoot van Leentje Plas, die haar opgenomen had. j

„Dag Georgine."

„Dag Alf."

'k Dorst haar niet aankijken. Als we elkander in de oogen gezien hadden zouen we beiden gehuild hebben, zou de scène wanhopiger geweest zijn.

„Oome, we gaan uit Toos en ik."

„Ga je uit?"

„Ja, Toosie en ik. Ben ik netjes, oome ?"

„Nou!"

„En ikke oome?"

„Jij oók, Toos."

„Wil u 'n koppie koffie meneer ?", vroeg juffrouw Perron.

„Dank u."

Ik ging naast Georgine zitten, haar hand in mijn hand, Ka op mijn knie. Er kwam een stilte van lang drensend klokkegetik. Georgine bleef zonder spreken, stil wit —, Leentje Plas keek mij aan met dik-roode oogen, juffrouw Perron schuchter, verlegen, zat bij de klok.

„We gaan rijje oome met pappa...", zei Ka, vroolijk.

„Zoo!"

„Hij kwam ons hale in 'n rijtuig, oome, en toen kwam 'r pelisie... en zóó 'n boel mense ... en nou komt-ie wéér... niewaar mamma ? ... niewaar mamma ? ..."

„Niet zooveel prate," zei 'k met beevrige stem.

„'k Heb de kleertjes vast ingepakt," fluisterde juffrouw Perron : „jammer dat de koffers 'r nog niet zijn ... nou is 'r maar zoo'n béétje linnegoed, niewaar:.. van Toosie haast heelemaal niks... van Ka maar twee hemmetjes en een paar schoone sokke..

„Wat leg-ie nou te kutkauwen!", viel Leentje Plas uit: „Daar

Sluiten