Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snoode Dier, zooveel kwaad gedaan, dat het mij onmogelijk is, alles in het breede op te sommen. Maar wat hij tegen mij en de mijnen misdreven heeft, mag niet ongewroken blijven."

Toen Isegrim dit gezegd had, kwam er een Hond te voorschijn, die Kortoos heette en die er zich tegen den Koning over beklaagde, dat hij in den winter, toen het hard vroor, Diets anders meer had

-dan een enkele worst, en dat Reinaart hem deze ontstolen had.

Dit hoorende, werd Tibert de Kater erg boos en trad in den kring der Dieren, zeggende: „Mijnheer de Koning, er is hier niemand aanwezig, die niet over Reinaart te klagen heeft. Maar wat de klacht van Kortoos aangaat, die zaak is al vele jaren geleden gebeurd. De worst, waarover hij sprak, behoorde aan mij toe; ik had haar 's nachts, toen ik bij een molen rondliep, aan een slapenden molenaar ontstolen. Dus was die worst van niemand anders dan van mij, zoodat ik de klacht, die Kortoos deed, wel tegen hem zelf had kunnen inbrengen."

Sluiten