Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Welnu," zei de Kater, „daar het uw wenschis, moet ik er wel aan voldoen. Ik hoop, dat het beter met mij zal afloopen dan ik vrees."

Nu begaf Tibert zich spoedig op weg, en op zijne reis zag hij een Sint-Maartensvogel vliegen, wien hij toeriep: „Wees gegroet, edele vogel! Ik bid u, wend uwe vleugels hierheen en vlieg aan mijn rechterkant!" Doch de vogel bleef maar doorvliegen, en wel aan den linkerkant van Tibert.

Dit voorteeken kwam Tibert ongunstig voor. Had hij den vogel aan zijn rechterkant zien vliegen, dan zou hij zeker goedsmoeds geweest zijn, — nu was al zijne hoop vervlogen. Toch sprak hij zichzelf moed in en gedroeg zich, zooals menigeen doet, beter dan hem werkelijk te moede was. Dus zette hij zijn weg voort, totdat hij te Malpertus kwam, waar hij Reinaart vóór zijn huis zag staan.

Toen sprak Tibert: „Ik wensch u goedenavond. De Koning bedreigt uw leven, als ge niet met mij mee naar het hof gaat."

„Dag, neef Tibert," gaf Reinaart hierop ten antwoord, „ge zijt mij welkom!"

Wat kon Reinaart mooi praten! Al zeide zijne tong nog zooveel goeds, in zijn hart woonde toch bedrog. Dit bleek aan Tibert al spoedig.

Tot dezen zeide hij: „Neef, ik wil met u naar het bof gaan. Maar 's avonds wil ik graag thuis zijn: dus zullen wij morgen met het aanbreken van den dag

Sluiten