Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX.

Hoe Reinaart aan Grimbaard den Das zjjne misdaden bekende.

Toen beiden op de heide gekomen waren, zeide Reinaart tegen den Das: „Och, beste neef, van zorg zweet en beef ik; want mijn leven verkeert in groot gevaar, en mijn bérouw is zoo groot over al de zonden, die ik heb bedreven. Ik zal alles aan u opbiechten. Heb ik mijn biecht voor u afgelegd en u gezegd, hoe alles zich heeft toegedragen, dan zal mijne ziel gerust wezen."

„Oom," antwoordde Grimbaard hierop, „wilt ge te biecht gaan, dan moet ge ook alle diefstallen en allen roof vertellen, waaraan ge u hebt schuldig gemaakt."

„Dat weet ik wel," sprak Reinaart. „Hoor mij dus aan, als ik u zeg, wat ik tegen den Otter, den Kater en andere Dieren heb misdreven. Ja, ik heb tegen alle Dieren, die leven, misdaan. Ik heb aan oom

Sluiten