Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de Koning gaf hem ten antwoord: „O, Reinaart, ge weet u mooi voor te doen. Maar dat zal u niet baten. Ge hebt den vrede, dien ik had geboden, slecht bewaard."

En nu trad Kanteklaar te voorschijn en riep uit: „O wee, wat heb ik al verloren!"

Maar de Koning zeide: „Houd uw mond, Mijnheer Kanteklaar, en laat mij spreken van al de misdaden, die hij heeft gepleegd!... Ja, Reinaart, dat ge mij liefhebt, dat hebt ge nog al laten blijken! Hier staat de arme Tibert, hier 'staat Bruin, wiens kruin nog bebloed is. Ik zal niet veel tegen u zeggen: alleen dit wil ik u meedeelen, dat ge met uw leven voor al uwe misdaden zult boeten."

„Mijnheer de Koning," sprak Reinaart nu, „dat de kruin van Bruin den Beer nog bloedig is, hoe kan ik dat helpen ? Dat hij, toen ge hem met eene boodschap naar mij toe zondt, van Lamfreits honing at, is dat mijne schuld? Waarom heeft hij zichzelf niet gewroken op hen, die hem kwaad hebben gedaan ? Hij is immers sterk en machtig! En wat Tibert den Kater aangaat, dien ik herbergde en ontving, dat hij naar het huis van den pastoor ging om te stelen, ofschoon ik het hem ontried, en dat de pastoor hem kwaad deed, zou ik dat moeten ontgelden? Mijnheer de Koning, wie twijfelt er aan, dat ge met mij moogt doen, wat u behaagt? Wilt ge mij koken of braden, of ophangen, of mij de oogen laten uit-

Sluiten