Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XII.

Hoe Eeinaart ten aanhoore van allen belijdenis van zijne zonden deed.

Reinaart stond daar als een arme zondaar. Toen keek hij om zich heen en zeide: „De Hemel sta mij bij; want ik zie hier niemand, tegen wien ik niet misdreven heb. Hoort mij nochtans allen aan! Toen ik nog pas gespeend was, heb ik dikwijls met de lammertjes gespeeld. Ik vond het zoo aardig, hun geblaat aan te hooren. Dat duurde zoolang, totdat ik er een doodbeet. Voor het eerst proefde ik nu bloed, en dat smaakte mij zóó lekker, dat ik het vleesch ook opat. Daarin kreeg ik zooveel smaak, dat ik naar de geiten in het bosch ging, waar ik ze hoorde blaten. Toen beet ik er twee dood, en dat deed ik den volgenden dag weer, en zoo werd ik gedurig stoutmoediger en beet hanen en kippen en ganzen dood, waar ik ze maar vond. Nu werd ik zóó bloeddorstig, dat ik alles maar doodbeet, wat

Sluiten