Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nabestaanden. Daarom zult ge uw deel hebben aan den aflaat, dien ik, op uwe schoenen loopende, over de zee zal verkrijgen."

Mevrouw Hersinde had zulk een pijn, dat zij nauwelijks kon spreken. Toch wist zij nog met moeite uit te brengen: „De wraak zal niet uitblijven, omdat ge ons beide zoo vreeselijk hebt laten mishandelen."

Isegrim zweeg stil, ofschoon hij en zijn metgezel Bruin droef te moede waren. Zij lagen gebonden en gewond. Was ook Tibert de Kater er op dit oogenblik bij geweest, ik durf gerust verklaren, dat Reinaart ook dezen een kool zou gestoofd hebben.

Den volgenden dag liet Reinaart vóór den opgang der zon zijne schoenen, die vroeger aan Isegrim en zijne vrouw toebehoord hadden, insmeren en ze door Martijn den Aap om zijne voeten vastbinden.

Nu vond hij den Koning en zijne vrouw, de Koningin, en zeide op een zalvenden toon: „Mijnheer de Koning, laat nu aan Reinaart, uwen knecht, staf en reiszak geven en laat mij dan vertrekken!^/

Toen liet de Koning den kapelaan, Bellijn den Ram, halen, en zoodra deze gekomen was, zeide Nobel: „Bellijn, hier is onze pelgrim! Spreek uw zegen over hem uit en geef hem reiszak en staf!"

Hierop gaf Bellijn den Koning ten antwoord: „Mijnheer de Koning, dat durf ik niet doen; want Reinaart heeft zelf verklaard, dat hij in 's Pausen ban is."

Sluiten