Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zeide nog: „Mijnheer de Koning, het doet mij leed, dat ge zoover met mij meegaat. Ik vrees, dat daaruit kwaad voor u zal voortkomen. Ge hebt twee moordenaars gevangen gezet, Als het toeval eens wilde, dat zij uit hunne gevangenis wisten te ontsnappen, dan zou u een groot gevaar bedreigen. Vaarwel dus en laat mij gaan!"

Hierop ging de Vos op zijne beide achterpooten staan en verzocht aan de Dieren, groot en klein, dat zij voor hem zouden bidden, waarop zij allen verklaarden, dat zij zijner in hunne gebeden zouden

gedachtig zijn.

Toen hij van den Koning scheidde, scheen hij zóó diep bedroefd, dat allen medelijden met hem hadden.

Tegen Kuwaart den Haas zeide hij nog op een klagenden toon: „Ach, Kuwaart, nu moeten ook wij van elkander scheiden. Of wilt ge mij met mijn vriend Bellijn den Ram vergezellen ? Gij beiden zijt nooit gramstorig op mij geweest. Gij hebt altijd onbesproken geleefd. Gij gedraagt u, zooals ik deed, toen ik een kluizenaar was. Gij houdt u aan gras en bladeren zonder naar vleesch, brood of andere spijzen te talen."

Met zulk eene vleitaal heeft Reinaart deze twee verschalkt, zoodat zij verder met hem meegingen, totdat hij op het kasteel Malpertus aangekomen was.

Sluiten