Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgt mij: ik ben uw vader, en laten wij ons best doen om te ontkomen."

Toen mocht er niet langer gedraald worden. Zij begaven zich allen op weg, Hermelijne en Reinaart met hunne kinderen.

Bellijn de Ram liep zóó hard, dat hij reeds even na den middag ten hove aankwam.

Toen de Koning Bellijn zag, die den reiszak, welke van de huid van Bruin den Beer gemaakt wasv om den hals had hangen, zeide hij: „Mijnheer Bellijn, waar komt ge vandaan? Waar is Reinaart? Hoe komt het, dat hij dezen reiszak niet draagt?"

„Mijnheer de Koning," antwoordde Bellijn, „dat zal ik u zeggen. Toen Reinaart op zijn kasteel kwam, zeide hij tegen mij, dat hij u een brief wilde zenden; en toen verzocht hij mij, dat ik dezen aan u zou overbrengen. Ik zeide, dat ik wel meer dan zeven brieven aan u zou willen overbrengen. Daar ik niets had, waarin ik den brief kon doen, bracht hij mij den reiszak, waarin hij den brief gestoken had. Mijnheer de Koning, ge hebt nooit hooren spreken van een beteren schrijver dan ik ben: dezen brief heb ik hem gedicteerd."

Toen beval de Koning hem, den brief aan Botsaard, zijn klerk, te geven: deze was met de schrijfkunst beter bekend dan iemand, die aan het hof was. Botsaard placht altijd de brieven, die er ten hove kwamen, te lezen.

Sluiten