Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen sprak Firapel de Luipaard: „Mijnheer de Koning, uw vrouw spreekt de waarheid. Yolg haar raad op! Beraadslaag daarom met uwe Rijksgrooten, en bevindt men Reinaart schuldig, laten wij ons dan duchtig op hem wreken! Laat hem nogmaals ontbieden, en komt hij niet, voordat het hof uiteengaat, doe dan wat u goeddunkt! Maar al was hij ook nog zoo slecht, toch zou ik niet raden, dat men iets tegen het recht aan hem deed."

„Dat zijn wij allen met u eens," sprak Isegrim nu. „Maar al ware Reinaart hier ook en al wist hij zich ook vrij te pleiten van de gruwelen, waarvan deze twee hem beticht hebben, dan zou ik nochtans iets tegen hem inbrengen, waarmee hij zijn leven heeft verbeurd. Maar ik zal daarover nu zwijgen, daar hij hier niet is. Behalve dit alles heeft hij den Koning gesproken over een schat te Hulsterloo bij den Krekelput, die er niet was. Grooter leugen is er nooit bedacht. Bovendien heeft hij ons allen bedrogen en Bruin en mij erg mishandeld. Ik wil er mijn leven onder verwedden, dat hij nooit een waar woord heeft gesproken. Nu rooft en moordt hij op de heide al wat er bij zijn kasteel komt. Het is billijk, Mijnheer Firapel, dat de Koning volgens uw raad handelt; maar als Reinaart hier had willen komen, dan zou hij al lang hier geweest zijn; want hij heeft van 's Konings bode wel gehoord, dat alle Dieren hierheen ontboden zijn."

Sluiten