Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij zullen hem niet ontbieden," sprak de Koning nu, „om hier te komen. Maar u allen beveel ik, dat ge binnen zes dagen gereed zult zijn om naar Malpertus op te trekken en zijn kasteel te belegeren. Ik zal Reinaart zóó in het nauw brengen, dat hij ons niet meer kan ontkomen, zoo waar als ik Koning Nobel ben. Wat zegt ge, Mijnheeren, wilt ge doen wat ik van u verlang?"

„Ja," riepen zij allen te zamen, „als gij er heengaat, volgen wij u, Mijnheer de Koning, al zou het ons lijf en goed kosten. Hierop kunt ge u verlaten."

Dit alles hoorde Grimbaard de Das en werd diep bedroefd. Hij liep heen en sloeg den kortsten weg in, die naar Malpertus voerde. Zóó hard liep hij, dat hem het zweet overal uitbrak. „Ach, beste oom," zeide hij bij zichzelf, „in wat nood zult ge komen! Waar zult ge blijven? Zal ik u zoo zien dooden of uit het land verbannen, dan mag ik wel met recht klagen! Gij zijt het hoofd van ons geslacht, wijs van raad, bij dag en bij nacht altijd bereid om

Sluiten