Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uwe vrienden te helpen. Waar ge maar spreekt, daar wint ge het pleit. Zóó goed weet ge u uit den nood te helpen."

Onder het slaken van zulke klachten kwam hij te Malpertus aan en vond Reinaart vóór zijne poort staan. Hij had twee jonge duiven gevangen, toenzij voor het eerst wilden uitvliegen; maar zij vielen terstond weder machteloos neer, want hunne vleugelswaren nog veel te kort. Reinaart, die dit zag, pakteze beiden beet en kwam daarmee thuis. Maar toen hij Grimbaard zag aankomen, wachtte hij dezen op en sprak hem aldus aan: „Welkom, neef, gij zijt mij meer welkom dan eenig ander, die van ons geslacht is. Ge loopt zoo hard, dat ge er van zweet. Hebt ge iets omtrent mij vernomen?"

„Ach, oom, ge zijt er slecht aan toe! Lijf en goed is verloren. De Koning heeft zelf gezworen, dat hij u zal dooden, en hij heefc al zijn volk binnen zes dagen ter heirvaart ontboden. Zie toe, wat u te doen staat! Want Isegrim en Bruin zijn nu meer bij den Koning in de gunst dan ik bij u. Al wat zij willen gebeurt. Isegrim heeft hem doen verstaan, dat ge te allen tijde rooft en moordt; hij draagt u haat en nijd toe. Het Konijn en de Kraai hebben ernstige klachten tegen u ingebracht. Ik vrees voor u en al de uwen."

„Och, lieve neef, is 't anders niet?" sprak Reinaart. „Zijt ge daarover zoo bekommerd? Stel u gerust!

Sluiten