Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een nieuw hoefijzer met zes nagels beslagen was, op en gaf hem daarmee zulk een duchtigen slag op zijn kop, dat hij neerviel en voor dood bleef liggen. Het duurde wel een uur, voordat hij weer bijkwam en opstond. Terstond liep de Merrie met haar veulen weg en liet Isegrim in een ellendigen toestand achter.

„Toen hij weer bijkwam, bloedde hij hevig. Ik ging naar hem toe en vroeg: „Mijnheer Isegrim, beste oom, hoe gaat het? Hebt ge u aan het veulen verzadigd? Waarom hebt ge er mij niet wat van meegedeeld, daar ik toch de boodschap voor u deed? Hebt ge wat na den maaltijd geslapen ? In wat voor taal stond de koopsom onder haar poot geschreven ? Ik wist wel, dat ge kundig zijt en dat niemand dan gij het kon lezen."

„„Ach, Reinaart, beste neef, spot toch niet met mij! Ik ben zóó slecht behandeld, dat een steenen hart er van zou breken. Die Merrie lichtte haar poot op. Ik dacht, dat er letters op zouden geschreven staan; maar er zaten hoefnagels in. Zij bracht mij zes diepe wonden toe. Bij den eersten slag, dien zij mij gaf, spleet zij mijn kop bijna in tweeën. Zulk lezen begeer ik niet meer."

„„Lieve oom," zeide ik, „is het waar, wat ge mij vertelt? Dat verwondert mij; want ik hield u voor den grootsten geleerde, die er leeft. Nu hoor ik, dat men vroeger wel eens heeft gezegd en dat ook in boeken te lezen staat, wat wel waar kan zijn, dat

Sluiten