Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonderden zich, dat Reinaart zulk eene stoute taal durfde voeren. Maar de Koning zeide: „Och, Reinaart, hoe goed weet ge u te vermommen! Maar mooie woorden zullen u niets baten. Ik denk, dat ge nog heden met uw leven voor uwe misdaden zult moeten boeten. Ik zal niet veel tot u spreken, maar uwe smart verkorten. Dat ge ons lief hebt, dat blijkt nog al aan het Konijn en aan Korbout. Uwe looze vonden zullen u doen sterven. De kruik gaat zoolang te water, totdat zij breekt en in stukken valt. Ik denk, dat de kruik, die ons zoo dikwijls bedrogen heeft, welhaast zal breken."

Bij het hooren van deze taal werd Reinaart bevreesd. Hij wenschte nu maar, dat hij niet naar het hof gegaan was. Toen dacht hij: „Ik moet er mij uit zien te redden, hoe het ook gaan moge."

„Mijnheer de Koning!" zeide hij, „ge moet mij ten einde toe aanhooren. Al was ik ook ter dood veroordeeld, dan zoudt ge dit toch moeten doen. Ik heb u vroeger menigen goeden raad gegeven en ik ben u steeds in den nood getrouw gebleven, terwijl anderen u verlieten. Als mijne vijanden mij ten onrechte hebben belogen, dan mag ik mij wel over mijn ongeluk beklagen. In vroegere dagen werd ik altijd vóór alle anderen gehoord. Dit kan nog wel weer zoo worden. Ik zie hier velen van mijne bloedverwanten en vrienden staan, die zich weinig om mij schijnen te bekommeren, maar wie

8

Sluiten