Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven liad en ge reiszak en staf van mij kreegt, die ik u gaf om over zee te gaan, zondt ge mij den reiszak terug en Kuwaarts kop daarin. Hoe waart ge zóó verdorven, dat ge mij zulk eene schande durfdet aandoen ? Hiertegen kunt ge niets inbrengen; want Bellijn de Ram heeft mij zelf gezegd, hoe alles in zijn werk gegaan is, en mij gesproken over het loon, dat hij ontving, omdat hij de boodschap aan mij wilde overbrengen."

Hierdoor werd Reinaart zóó vervaard, dat hij niet wist, wat hij zou zeggen. Hij merkte wel, dat het slecht met hem zou afloopen. Hij zag daar verscheidenen van zijne bloedverwanten staan, die allen zwegen, toeluisterden en toekeken; maar niemand kwam hem te hulp.

„Zeg eens, sluwe schavuit," riep de Koning nu, „zijt ge stom en spreekt ge niet?"

Reinaart was diep verslagen. Hij slaakte zulk een zwaren zucht, dat allen het hoorden. Daarin hadden Bruin en Isegrim veel pleizier, zoodat zij hartelijk lachten.

Sluiten