Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo gebeurde het eens, dat ik met Mijnheer Isegrim een zwijn gevangen had. Dat beten wij dood, omdat het zoo luid schreeuwde. Mijnheer de Koning, toen kwaamt ge ons uit eene haag van verre te gemoet. G-e groettet ons vriendelijk en zeidet: „Weest welkom, gij beiden! ik heb een geduchten honger en ook mijne vrouw, die achter mij aankomt. Wilt ge den buit met ons deelen?"

„Isegrim sprak zóó zachtjes, dat men hem niet kon verstaan; maar ik riep met luider stemmej: „Met alle genoegen, Mijnheer de Koning, al was het ook veel meer. Wie wilt ge, dat het zwijn verdeelen zal?" Toen zeidet ge : „Dat moet gij maar doen, Mijnheer de Wolf." En nu verdeelde Isegrim het, zooals hij gewoon was: de helft behield hij voor zichzelf, en een vierdedeel gaf hij aan u en een vierdedeel aan uwe vrouw. Toen ging hij bijten en knauwen en haastte zich om het op te eten. Het oor met den neus en de helft der longen gaf

Sluiten