Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij aan mij, en al het andere behield hij voor zichzelf. Zóó toonde hij zijne edelmoedigheid! In een oogenblik hadt ge uw aandeel op; nochtans zoudt ge graag nog meer gehad hebben, want ge waart nog niet verzadigd. Ge vroegt Isegrim om nog wat, maar hij gaf u niets hoegenaamd. Toen hieft ge uw rechterpoot op en sloegt hem zóó tusschen zijn ooren, dat het vel van zijn neus tot aan zijne oogen afscheurde. Hij kon de pijn niet uitstaan, hij huilde en bloedde vreeselijk. Eensklaps liep hij weg, en ge riept hem nog iets achterna; doch hij deed maar, alsof hij niets hoorde. Toen zeide ik: „Mijnheer de Koning, als gij het gebiedt, dan ga ik met hem mee. Ik weet wel wat." Nu ging ik hem achterna. Hij kermde en kreunde erg; maar hij durfde niet luid klagen. Zóó lang liepen wij samen te jagen, totdat wij een vet kalf vingen. En toen wij het u brachten, lachtet ge, en het behaagde u wel. „Reinaart," spraakt ge, „gij zijt snel ter jacht. Dit kalf is vet en groot. Nu moogt ge het zelf verdeelen!" Ik deed dit en gaf de eene helft aan u en de andere aan de Koningin. Den kop deelde ik aan Isegrim toe en behield de pooten voor mij zelf. „Reinaart," spraakt ge, „zeg mij eens, wie u zoo hoffelijk leerde verdeelen!" Hierop antwoordde ik: „Dat heeft Isegrim gedaan, omdat hij zoo begeerig was, toen hij vandaag het zwijn verdeelde, en ik het verkeerde daarvan inzag. Ik dacht in eene eerste plaats aan u."

10

Sluiten