Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dit en menigerlei goede daad, Mijnheer de Koning, heb ik voor u verricht, waarvoor ge mij nu luttel dank betuigt. Maar eenmaal zult ge misschien nog anders over mij denken. En nu, ik eisch geen genade. Mocht iemand mij van eenige misdaad kunnen betichten, dan zij deze op mij gewroken."

Toen zei de Koning: „Reinaart, ge hebt gelijk. Ik weet ook niets anders van Kuwaarts dood af, dan dat Bellijn de Ram zijn kop in den reiszak meebracht. Ik trek dus de aanklacht over deze zaak tegen u in."

„Mijnheer de Koning," zei de Vos nu, „ontvang mijn hartelijken dank. Maar toch doet zijn dood mij leed. Och, wat ging het mij aan het hart, toen die beiden, Kuwaart en zijn vriend Bellijn, afscheid van mij namen! Het scheelde niet veel, of ik was in zwijm gevallen."

Allen, die Reinaarts taal hoorden, meenden, dat hij de volle waarheid sprak. De Koning zelf en zijne vrouw hadden medelijden met hem en verzochten hem, dat hij de kleinoodiën zou gaan zoeken. Dat hij ze aan hen beiden had gezonden, al kwamen ze hun ook niet in handen, maakte hen al erg dankbaar. Toch zouden zij ze gaarne in hun bezit hebben, als zij maar hadden geweten, hoe er aan te komen.

Sluiten