Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet verroeren, daar haar staart geheel in het ijs bevroren zat. Toen riep ik: „Reinaart, wat doet ge daar?" Zoodra hij merkte, dat ik zoo dicht in de nabijheid was, nam hij de vlucht.

„Nu ging ik naar haar toe en had heel wat werk, voordat ik het ijs kon breken en haar staart daaruit losmaken. Nochtans bleef er een stuk daarvan in het ijs zitten. Wij beiden brachten er nauwelijks het leven af; want zij huilde, voordat ik haar te hulp kwam, zóó vreeselijk van de pijn, dat de dorpelingen dit hoorden en met pieken, haken en stokken op ons toegeloopen kwamen. Zij riepen: „Slaat ze dood!" Ik heb nooit meer angst uitgestaan dan toen, en hetzelfde zegt mijne vrouw ook. Wij ontkwamen ternauwernood aan het gevaar en liepen zóó hard, dat het zweet ons uitbrak. Er was een dorpeling, die met een lange piek naar ons stak, en ware het niet, dat de nacht ons ter hulpe gekomen was, dan zouden wij daar zeker beiden gebleven zijn. Eindelijk kwamen wij op eene plaats, waar de dorpelingen ons uit het oog verloren, en zij durfden ons bij nacht niet achtervolgen. Zie, Mijnheer de Koning, dat zijn leelijke dingen, waarover recht moet geschieden."

„Als dat alles waar was," bracht Reinaart nu in het midden, „dan zou het eene schande voor mij zijn. 't Is waar, ik heb haar eens geleerd, hoe zij visschen kon vangen; maar hare vraatzucht was zóó groot.

Sluiten