Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdragen dan ik. Één onzer moest ze toch krijgen. Bovendien wilde ik u leeren, dat ge op een anderen keer beter op uwe hoede moest zijn en niemand te licht gelooven."

„Hoor nu eens, Mijnheer de Koning," sprak Hersinde, „hoe hij met alle winden draait! Hoe mooi weet hij alles voor te stellen!"

„Zoo heeft hij mij dikwijls bedrogen," zeide Isegrim, „en in het ongeluk gestort. Hij heeft mij ook eens verraden aan de Apin, zijne tante, toen ik mijn oor bijna verloor. Wilde hij de waarheid spreken, dan zou hij dit beter kunnen doen dan ik."

Toen zei de Vos: „Gaarne wil ik dit doen. Ik verzoek u allen, mij aan te hooren. Op zekeren tijd kwam Isegrim mij in een bosch tegen en klaagde mij, dat hij zoo'n honger had; toch had ik hem nooit zóó verzadigd gezien. Ik begrijp niet, waar hij al die spijzen laat. Hij begon van den honger te huilen. Toen kreeg ik medelijden met hem en zeide: „Laat ons samen op de jacht gaan!" Wij liepen nu den geheelen dag met elkander voort, maar vonden niets te eten. Toen begon hij te klagen en zeide, dat hij niet verder kon. Juist op dit oogenblik zag ik een hol onder eene heg van dichte bramen en hoorde daarin iets schrabben. „Kruip daarin," zeide ik, „en zoek, of ge er iets in vindt. Het kan niet anders, of ge zult er wel wat vinden!" Toen zeide hij: „Neef, in dat gat zou ik voor geen

Sluiten