Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo menig onschuldig dier verraden, ge hebt mij door uwe valsche streken in het ongeluk gestort. Daarover zal ik mij nu op u wreken. Op mij rust de taak om u voor uwe vroegere misdaden te doen boeten. Maar als ge voor mij op de knieën wilt vallen en mij om vergiffenis smeeken, dan wil ik u wel in het leven laten, al zijt ge ook nog zoo slecht; want ik dood niemand gaarne."

Deze woorden maakten Isegrim razend van woede. Hij kon niet spreken: zóó toornig was hij. Ook begonnen de wonden, die Reinaart hem had toegebracht, hem pijn te doen; want het bloed vloeide er uit. Hij dacht aan niets anders dan aan een middel om zich het best te wreken. Hij gaf aan Reinaart een duchtigen slag op den kop, zoodat deze op den grond neerviel. Toen schoot hij op den Yos af en dacht hem te vangen. Maar Reinaart was vlug, stond op en liep dapper naar hem toe.

Nu ontstond er een hevig gevecht, dat een geruimen tijd aanhield. De Wolf was zijne woede niet langer meester. Wel tien malen achtereen sprong hij op Reinaart los; maar de huid van den Yos was zóó glad, daar deze met olie ingesmeerd was, dat hij telkens aan de aanvallen ontkwam. Als de Wolf hem meende beet te hebben, dan sloop hij tusschen zijne pooten en onder zijn buik door en sloeg hem met zijn staart in de oogen. Hij ging weer in het stof krabben en deed het hem in de oogen waaien.

Sluiten