Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'kWeet nu, zegt hij, wat het is dat mij kwelt,

'k Moet, juist als Adam voor jaren Eva tot zijn gezellin zich verkoos.

Met een lief meisje gaan paren.

Hij vliegt naar 't Bruidje, en vraagt haar meteen Of zij met hem in het huw'lijk wil treên,

En aan zijn zij zich wil scharen.

't Bruidje bedenkt zich, ik weet niet, zegt zij,

'k Moet aan mijn ouders eerst vragen,

Kom dus, wanneer je dit goed is althans,

Maar eens weer, met een paar dagen.

Bruigom gaat heen en komt later terug,

'k Wil met je trouwen zegt 't bruidje nu vlug,

Als je me op handen wilt dragen.

De voordrager wendt zich nu tot het Bruidspaar.

Spreek nu, heer Bruidegom, is het niet waar.

Dat je de liefde zoo kwelde?

Is het niet, Bruidje, precies zoo geschied,

Als ik hier heden vertelde?

Is 't niet precies zoo, als 'k zeide in mijn lied ?

Niet? .... Nu dan is het iets anders geschied. Hoofdzaak is zooals ik 't meldde.

Samen zijt gij thans in 't huw'lijk vereend,

Samen wilt gij het ervaren,

Of het, zooals vaak zoo menigeen zegt,

Schoon is op d' huwelijksbaren;

Of dat, gelijk menig ander beweert,

Alles in 't huw'lijk zich tegen u keert,

Onder het wiss'len der jaren.

Bruidje en Bruigom, u beiden wensch ik

Een leven vol van genuchten,

Een heerlijk huw'lijk vol vree en genot,

Laat al de zorgen maar vluchten,

Leeft, waarde vrienden, zeer veel jaren lang,

Nooit word' het leven u droevig of bang, Tegenspoed doe u nooit zuchten.

Sluiten