Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Sigaren; van jou!"

„Ja mijnheer," en met de verkleumde vingers van zijn rechterhand haalde het kereltje een kistje onder zijn linkerarm vandaan, opende het, en liet den verbaasden wandelaar een partijtje sigaren zien, waarvan de qualiteit niet dadelijk was te gissen.

„Verkoop je die, jongen?"

„Ja mijnheer. Mijn vader is ziek, weet u, en nu ....

„Ja, dat ken ik. Je hebt zeker nog een huis vol broertjes en zusjes ook, is 't niet? En die hebben natuurlijk in zooveel dagen niet te eten gehad. Maak dat je weg komt, en ga naar bed; zulke kinderen moesten al lang op een oor liggen. De heer maakte reeds aanstalten om zijn weg te vervolgen, toen hij door een diepen zucht van het kind werd teruggehouden. „Is 't zoo niet?" vroeg hij toen nog, als om ziehzelven te overtuigen.

„Neen mijnheer, ik heb niemand anders dan vader.

„Lieg je niet?"

„Gerust niet, mijnheer.

„Dus ik kan er op aan?"

„Zeker mijnheer." ^

Dat alles kwam er bij den jongen zóo eenvoudig uit, dat de man getroffen werd, en verder ging met vragen: „Wat scheelt je vader?"

„Ik weet het niet, mijnheer."

„Is hij al lang ziek?"

„Al twee weken, mijnheer."

„Hoe kom je aan die sigaren?" _

„Yan een buurman, mijnheer, die is sigarenmaker. En als ik nu een kistje leeg verkocht heb, krijg ik een dubbeltje.

„Kolossaal wat een verdienste, en hoeveel moeten die sigaren opbrengen?"

„Acht voor een dubbeltje, mijnheer, of vier voor een

stuiver." .

„Zeker geen echte manilla's. Heb je van avond al wat

verkocht?" _ n

„Ja mijnheer, voor vijf en veertig centen.

„Hoeveel zit er nog in 't kistje.-"'

„Nog net vijftig, mijnheer; ziet u maar, t bandje is er

nog om."

„Waar woon je?"

„In de Tuindwarsstraat, no. 18, drie hoog.

„Hoe heet je?"

„Piet Gelstaart."

„Kan ik heelemaal op je aan?" vro.eg de heer verder.

„Zeker mijnheer." ..

„Nou Piet, wacht dan even." En de man haalde zijn zak-

Sluiten