Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boekje tevoorschijn nöteerde naam en adres van den jongen,

ÏÏen Hi«P ZJ,n ueUrS Tr d6n da« ^ gaf den jongen een gulden. „Hier, kereltje, geef mij nu die sigaren."

mijnheer0"^" gaf het kistje over en zei: Is te veel geld,

je vader.™8* ik' ^ W#t " ^ is' mag houden voor „Dank u, mijnheer."

V,aifE + nu puw naar huis en dan naar bed, begrepen ? 't Is bij half twaalf, zoo n dreumes moest al een paar uur slapen."

I)e jongen liet zich dit geen tweemaal zeggen, zette het op een l°open ln de richting van de Leliegracht, en onze wanP delaar zag den knaap nog juist de brug overgaan naar de

tenminJe " Trn rl ^ !"ichting> die hÜ neemt, klopt

tenminste, bromde hij in zichzelven. „Dat is voorloopig iets "

on Hi,Z1J»f S1far6n 0nde' den arm g'ng de man de Leliegracht op. Hi stapte nu wat haastiger voort dan daar straks, en mompelde binnensmonds: „Misschien alweer te pakken genomen; tkan wezen; enfin, we zullen zien. Thuis hebben ze natuurlijk weer de grootste pret; kom, ik zal me maarniet

hS2 1 • gl"g de" Singel lanSs tot aan de Raad-

hmsstraat, sloeg die m en hield voor een net huisje op den

F«; vrnï,Urr ,8tau d,',dr?ide de deur °Pen' en trad binnen, en vroohjk gelach klonk hem uit de gang tegen. „Zoo

Piet wat ben je vroeg terug van je luchtje scheppen," riep

na deren .7°uwe°stem bera toe, wier eigenares onmiddellijk na dezen uitroep door een zijdeur verdween; weldra door hem, dien we Piet hoorden noemen, gevolgd.

Piet trad een kamer binnen, waar we een heer en twee dames aantreffen, die, zoo op 't eerste gezicht, S broeder en zusters moeten zijn. En die gissing is juist. Sn hTn 1 ' |nelJaSen' dien wij ontmoetten, woonde met

Wniemien en Te ag.nI benevens zÜn beide z™ters, Willemien en Lena, in dit niet groote, gezellige buro-er-

hmsje, waarvan de huiskamer dadelijk deed zien met welk

rirr'T men te,d0en had" Alles wa" eenvoudig en degelijk. Niets was pronkerig mooi, maar ook niets deed aan bekrompen omstandigheden denken De Snelwagens gingen dan ook door voor menschen, die

u; l\°: kf0ndC" st®"en"; ze waren, volgens de kruiersouw uit het steegje, „alleraardigste lui, die wel wat voor hun evenmensch over hadden; alleen hadden ze tegen, dat ze „erg fijn waren, ziet u, wat heel erg. Niet dat ik wat tegen de menschen heb, dat niet, ziet u; ik zeg maar: Ten

hebben."" g ^ ^ menschen moeten het van iedereen Met deze inlichting wil de lezer het voorloopig weldoen;

Sluiten