Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ben je ziek, en wat scheelt er aan?"

„Ik denk dat ik kou gevat heb, mijnheer."

„En is er een dokter bij je geweest?"

„Neen mijnheer, die komen bij ons menschen zoo gauw niet; ik moet er nog heen, ik word van de stad geholpen, weet u."

„Zoo. Ben je al lang ziek?"

„Ziek bepaald niet, ziet u, maar toch al een heele poos niet prettig. Ik lig pas een paar dagen plat te bed."

„En als je gezond bent, wat werk je dan?"

„Wat ik maar krijgen kan, mijnheer. Zoo als los man, dat begrijpt u wel, een eigenlijk vak ken ik niet, ik doe van alles.''

„Ben je weduwnaar?"

„Ja mijnheer, al drie jaar. Mijn vrouw is toen aan de tering gestorven."

„En je hebt slechts dat eene zoontje ?"

„Ja mijnheer, en daar heb ik genoeg aan. U begrijpt, een kind op dien leeftijd heeft wat noodig, en dan ben ik meestal den geheelen dag van huis; dat geeft een heele tobberij. Hij zwerft dan maar een beetje, en haalt hier en daar 't een of ander op. Hier krijgt hij wel een boterham, en daar hebben ze een kliek eten. Maar zoo'n kind verwaarloost toch."

„Waarom is hij zóo laat op straat, dat is toch wel wat al te bar met die kou. Gisteravond was 't al over kinderbedtijd."

„O, dan is u zeker die mijnheer van gisteravond, dat dacht ik al half, om u de waarheid te zeggen. Piet heeft 't verteld, dat u hem zijn sigaren heeft afgekocht."

„Behoor je tot een kerk?" vroeg Snelwagen weder.

„Tot een kerk, mijnheer? Wel neen, dat moest er nog bij komen."

„Waarbij?"

„Wel, dat ik me óok nog met de kerk moest bemoeien. Ik heb geen kleeren om er 's Zondags heen te gaan; in zulk deftig gezelschap ziet men ons toch maar voor schurftige schapen aan. Dat is goed voor menschen die 't betalen kunnen, maar niet voor ons."

„Dus je ligt daar, om zoo te zeggen, naar ziel en lichaam zonder hulp, als ik 't wel heb?"

„Zoo is 't, mijnheer. Niemand helpt mij."

„Heb je dan geen familie?"

„O, welzeker, maar die moet niets van me hebben. Ik heb hier in Amsterdam nog een broer en een zuster wonen, die er tamelijk goed in zitten. En nu zouden ze me niet dood laten hongeren, ziet u, als ik maar een voetval deed. Maar, u moet het me niet kwalijk nemen, daar kan ik niet toe komen." ,

„Maar m'n goeie man, dat gaat toch niet. Je hebt geen

Sluiten