Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tuindwarsstraat ging, vastberaden en besloten te helpen waar het noodig was.

Zij stapte flink aan en stond weldra weer voor het armelijke huisje; behoedzaam ging zij de trappen op en betrad het kleine dakkamertje.

Het zag er nog precies als gister uit, alleen zat nu onze kleine man in een hoekje op een van de wankele stoelen, de schuwe blikken naar het bed gericht. Toen hij W il zag gleed er een glimlachje van verstandhouding over het bleeke gezichtje, maar hij stond niet op van zijn plaats. ^ Wil ging op hem toe, en vroeg fluisterend: „Slaapt vader t

„Ja, juffrouw," fluisterde het kind terug.

„En hoe is 't er meê?"

„Weet niet, juffrouw."

Wil vond het 't best om maar een poosje stil te wachten, misschien zou de lijder wel ontwaken. Zij zag daarom, voor zoover dat mogelijk was, door het venster naar de helder blauwe lucht en 'dacht aan de ellende, waarmeê zoovele armen in een stad als Amsterdam te worstelen hebben. „Wij menschen," zoo sprak zij in zichzelve, „zijn wel gekleed en goed gevoed, ons ontbreekt om zoo te zeggen niets; we hebben een goed huis, een goed bed, we hebben weinig of geen zorg, en ziehier nu menschen die zoowat aan alles gebrek hebben; misschien sterft die man vandaag of morgen, zonder voldoende geneeskundige behandeling, zonder hulp, zonder familie, en laat hij zijn kind alleen in die harde, gevoellooze wereld achter. In die wereld, zonder God;... maar neen, laat mij dat niet zeggen, niet zonder God, al kent men Hem niet, al wil men 't buiten Hem stellen. Hij regeert toch. Zijne oogen doorloopen de gansche aarde. Hij slaat zijn blik ook op deze hartverscheurende toestanden. Hij kent dit arme kind," en onwillekeurig legde zij de hand medelijdend op den schouder van den knaap, die nog altoos bewegingloos op den stoel zat.

De jongen schrikte als 't ware door deze aanraking wakker, en zag naar de bezoekster op, in wier oog een paar tranen

blonken. , .

Beider aandacht werd nu getrokken door een gestommel op de trap; de deur ging open en een welgekleed heer overschreed den drempel van de woning. Op een toon, die wel wat luid was voor een ziekenkamer, vroeg de man ot hier de zieke was, en zag den knaap en zijn beschermster aan met een vragenden blik, die duidelijk aantoonde, dat hij niet goed begreep hoe op deze plaats die twee bij elkaer kwamen. Van zijn verrassing bekomen, boog hij voor de dame en zei dat hij de dokter was.

„O dokter," zei Wil, „ik ben hier eens komen zien ot ik

Sluiten