Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik weet het niet mijnheer." . .

Na jongen, dan doe je maar wat ik zei; je gaat met dit napier naar het politiebureau, hier op de Noordermarkt, en daar zullen ze je wel verder helpen. Ik moet," vervolgde hij, zich tot Wil wendend, „naar mijn verdere werk omzien. Kan ik u misschien nog ergens mede van dienst wezen.'

Dank u dokter"; en daarmee vertrok de geneesheer. Wil bleef nog. Zij overdacht hoe zij handelen zou, en meende het beste te doen, met even de buurvrouw te roepen. Toen deze kwam, vond zij het geval allernaarst. „Och juffrouw, dat gebeurt ons menschen nu zoo te zeggen alle dag; we zijn der uit zonder dat we het weten en er kraait geen haan na. Maar de man hier is er dan toch erg gauw uit geweest, ik hoorde hem van morrege nog hoeste. Hij mot nou zeker worden afgelegd; vindt u niet

Wil begreep niet hoe zij 't met dit wezen klaren zou, en vond het 't best haar te vragen, maar een oog m t zeil te houden; misschien kwam de familie wel spoedig.

De familie, juffrouw; och, die komme bij ons soort mense nie"t. Hier is niks te hale, weet u; geld bijleggen is hier de booschap, nou, in zulke gevalle blijft de familie wel achtera .

Zooveel begreep Wil er ook wel van, en zij meende met beter te kunnen doen dan aan den knaap te zeggen, dat, a s hij aan het politiebureau geweest was, hij dan maar bij haar

aan huis moest komen. .

De jongen beloofde het, en Wil ging naar huis Zij had zich tamelijk lang opgehouden^ en vond de huisgenooten gereed om aan tafel te gaan. „Wil, plaagde Karei,

heb je den ganschen middag al aan de liefdadigheid e aan de ziekenverpleging gewijd?" Maar toen hij de ernstige trekken zijner anders zoo vroolijke zuster zag, vroeg homeer belangstellend: „Hoe is het met dien armen stumper.'

„O enkel ellende," en Wil brak in snikken uit, tot groote ontsteltenis van de anderen.

„Maar wat is er dan?" vroeg Lena.

En Wil verhaalde kort en eenvoudig, hoe zij het kind gevonden had, wachtende bij het lijk van zijn vader. Allen waren geroerd en vooral Lena gaf haar deelneming in zuchten en klagen lucht.

„En waar is de jongen nu?" vroeg Piet.

„Hij zal straks wel hier komen, want dat heb ik hem,ge-

zesrd," antwoordde Wil. ,

„Waar moet zoo 'n schaap van nacht blij ven, hij kan toch niet alleen met den doode op dat kamertje zijn, meende

^iVhad gedacht, als jullie het goed vinden, hem voorloopig hier te houden."

Sluiten