Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niets van het kind weten en konden ook niets voor hem doen. Bleef over het Stadsbestedelingenhuis, daar ook geen enkele Kerk zich het lot van den verlatene kon aantrekken. En hoe uitstekend het in dat Bestedelingenhuis ook wezen mocht, de Snelwagens meenden nu eenmaal, dat dit kind door den Heere op hun weg was geworpen, en dat zij ten opzichte van dat kind een roeping hadden te volbrengen.

Na heel wat over en weêr praten was eindelijk het besluit genomen, dat men Piet bij zich zou houden, en waren daartoe de noodige schikkingen gemaakt. En zoo vinden wij den knaap dan in zijn nieuwe kwartier, behoorlijk gehuisvest, gevoed en gekleed, en een weelde genietend, waarvan hij voorheen nooit had gehoord.

N De jongen was er nu een paar maanden en ging geregeld ter school. Hij leerde goed, gaf in verschillende opzichten reden tot tevredenheid, doch toonde bij gelegenheid dat zijn straatjongensnatuur hem nog niet geheel verlaten had.

flHjj kan zoo erg onhebbelijk wezen," klaagde Lena op een middag aan haar broer Piet, terwijl zij samen in de huiskamer zaten onder het genot van een kop thee.

„Ja, dat zal wel," zei Piet droog, daar hij weer een opsomming van allerlei kleine klachten verwachtte.

„Daar heb je nu gisteren, toen we in het Vondelpark waren, heb ik een halve volksverzameling om me heen gehad."

„Wat was er dan?"

„Wel, we waren daar voor de muziektent, je weet wel, en daar ziet hij een paar van zijn vroegere vrienden uit de Tuinstraat. Hij er op af, en of ik hem al riep, de jongen luisterde niet en ging aan 't ravotten met die anderen. Hij zag er spoedig uit, om hem met een tang aan te vatten, maar dat was nog 't ergste niet. Er ontstond een vechtpartij, en daarbij heeft hij een jongen een klap gegeven, zoodat dezen het bloed uit den neus kwam. Dat verwekte een heel standje, zooals je begrijpt. En toen ik er bij kwam, kreeg ik er de onaangenaamheid van."

„Dat begrijp ik. En heb je den vechtersbaas over zijn wangedrag behoorlijk onderhouden?"

„Zeker; maar weet je wat hij zei: „Ik kan me toch niet op mijn kop laten slaan."

„Dat is zeker geen al te beschaafd antwoord. Maar wij moeten geduld met hem hebben; 't is een jongen; misschien wordt hij nooit een jongen zooals wij hem zouden wenschen. Doch dat is ook niet bepaald noodig."

.Maar je schrikt om hem meê te nemen. Laatst bij Jansen, en die zijn nog al op de vormen gesteld, gooit hij door zijn lompheid een glas limonade om. Nu, je begrijpt hoe hartelijk mevrouw verlangde van ons bezoek ontslagen te zijn."

Sluiten