Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als zij later verklaarde, den jongen wel kunnen afrossen op dat oogenblik. De jongen zelf had gemaakt dat hij buiten schot kwam, en was den tuin ingevlucht.

Lena ging naar haar broeder, en klaagde hem haar nood. De schuldige werd nu geroepen en kreeg een ernstige vermaning, die inhield, dat hij zich voortaan van dergelijke grappen had te onthouden. „Heb je dat goed begrepen?"

„Ja mijnheer," zei Piet niet deemoedig gelaat.

„Denk eens aan, nu moet Jans al dat goed weer over wasschen; 't is toch .eigenlijk al te erg. Waarom haal je zulke dolle streken uit?"

„Ik heb er niet bij gedacht, mijnheer."

„Denk dan in 't vervolg na, voor je wat doet, begrepen ?"

„Ja, mijnheer."

„En nu voor je straf niet meer in den tuin vanavond; je gaat naar boven, je werk afmaken; en om acht uur lig je in je bed "

Met die boodschap vertrok onze vriend naar boven. Hij zag er volstrekt niet verdrietig uit, en ging welgemoed aan den arbeid.

„Je hebt op dien jongen, geloof ik, niets geen vat'' — zei Piet den volgenden avond tot Karei. „Gister heb ik hem behoorlijk de les gelezen, maar 't heeft geloof ik niets uitgewerkt "

„Toch wel wat," meende Wil.

„Wat dan?" vroeg Karei.

„Hij is vanmorgen voor dag en dauw opgestaan, en heeft al de schoenen gepoetst. Toen Jans in de keuken kwam was alles kant en klaar, en hij zat in den tuin."

„Jans zal wel vreemd hebben opgekeken," merkte Piet op.

„Dat denk ik ook wel. En weet je wat hij tot haar zei: „Jans, dat is voor gisteren met dat waschrek; ben je nu niet meer boos op me?"

„Dat is toch aardig. Er zit wat in dien jongen," meende Karei.

„Ja, maar gemakkelijk is hij niet,"' besliste Wil, en daarmede waren de huisgenooten het eens.

Een veertien dagen later — het was midden op den dag, de morgenschooltijd was afgeloopen en Piet kwam met een aantal kornuiten, half spelend, half vechtend den N.Z. Voorburgwal op, — zat Wil in de zijkamer voor het venster, toen een straatklinker het vensterglas verbrijzelde, Wil aan het voorhoofd wondde, en ten slotte een vaasje op den schoorsteenmantel van het leven beroofde. Wil was doodelijk verschrikt, en Lena kwam op den slag toeloopen: „Kind, wat is er, je bloedt."

Doch de wond was van heel weinig beteekenis, en Wil

Sluiten