Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Juist zoo," meende Piet. „'t Is ook in dit opzicht voor ons: bidden en werken."

HOOFDSTUK V.

FAMILIEAANGELEGENHEDEN.

We zijn een jaar of vijf verder en met haar pleegzoon is de familie Snelwagen niet ongelukkig geweest. De wilde haren zjjn er zoo wat uit en de jongen is nu de rechterhand van den oudsten broeder in het kaaspakhuis. Hij is heel wat grooter geworden, doch in een opzicht veranderde hij niet in zijn voordeel. Zie hem aan, en ge ziet den teringlijder. Dat bleeke, vermagerde gelaat, dat hooge blosje bij de geringste lichamelijke inspanning; dat nu en dan kuchen, het doet zien, dat de gevreesde ziekte haar sloopingswerk reeds voor langen tijd begon, en meer dan half voltooid heeft. Hij moet zich in acht nemen, zegt de dokter, maar dat is al wat er aan te doen is. Misschien zou een verblijf in een gezond oord hem nog wat helpen, maar.... En Karei had er bijgevoegd, dat hij gaarne zou zien dat de jongen een poosje naar buiten ging; ze waren het er allen over eens; alle middelen moesten worden aangewend.

Zoo stond het plan vast. Karei, Wil en de pleegzoon zouden een poosje naar het buitenland gaan; Lena zou met Pieter tehuis blijven, want Lena hield niet van reizen, en iemand moest dan toch achterblijven. De patiënt was zeer ingenomen rnet het denkbeeld, dat hij geducht ver van huis ging en vreemde landen en toestanden zou zien. En groot was zijn blijdschap, toen hem op een middag in Mei werd medegedeeld, dat men in Juni vertrekken zou, en dan misschien wel drie maanden wegbljjven. Men zou den Rijn opgaan tot Honnef, en daar zijn intrek nemen.

„O, ik vind het zoo heerlijk," zei Piet; „u toch zeker ook, niet waar?" dus wendde hij zich tot Karei.

„Zeker, ik mag wel zoo'n tijdje in de bergen vertoeven."

„Is 't daar erg mooi?"

„Jawel; maar je moet je geen sneeuw en ijs voorstellen. Zoo hoog gaan we niet. De bergen zjjn daar in de buurt laag. Maar het zal je nog wel meevallen."

Het gesprek werd hier afgebroken door de dienstbode, die kwam zeggen, dat er een dame was om mjjnheer te spreken.

„Welken mijnheer?" vroeg Karei.

„Wel, natuurlijk is 't om jou te doen," plaagde Wil.

„Wie is die dame; heeft ze dat ook gezegd?"

Sluiten