Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gaarne, mijn man was wel meêgekomen, maar hij reist niet gaarne, en ik had vandaag nog zooveel in Amsterdam te doen. Maar wij mogen u overmorgen verwachten, niet waar mijnheer?"

„Ongetwijfeld."

De dame nam afscheid en liet vooral haar „hartelijkste groeten" aan het neefje doen.

Karei keerde in de huiskamer weer; „jongen," zeide hjj, „we gaan overmorgen samen uit; waar denk je dat ik je heen breng?"

„Dat is moeilijk te raden, mijnheer."

„Nu, je gaat met me naar Hilversum."

„Wat hebben we daar te doen?

„We gaan daar een tante en een oom van je opzoeken/'

^Van mij? Ik heb immers geen familie in Hilversum."

„Dat dacht ik ook, maar nu weet ik't beter. Je oom, Van Moor, die in Indië gewoond heeft, is terug, en de dame die me daar straks te spreken vroeg, was je tante."

„Je spot er toch zeker meê," meende Wil.

„Heusch niet."

„Was het zijn tante, werkelijk zijn tante?"

„Precies zooals ik het je vertel.'

„Dat begrijp ik niet," verzekerde Wil. „En heeft ze dan niet eens gevraagd haar neef te zien?"

„Zij dacht er zeker niet aan, dat hij op dit oogenblik hier was."

„Maar heb jij het haar dan niet gezegd?"

„Neen, daar kon ik niet goed toe komen."

„Bijzonder hartelijk," oordeelde Lena.

„Nu, laat me nu de geschiedenis van die wondertante vertellen. 'Zij komt uit de Oost, en is schatrijk, heeft kind noch kraai; dus jongen, je begrijpt er alles van."

„Weet u ook iets van oom?" vroeg de jongen.

„Zeker. Hij komt uit de Oost, is schatrijk, heeft kind noch kraai en reist niet graag. Ziedaar mijn geheele wetenschap. Dat is niet veel, doch stel je gerust; overmorgen gaan we eens nader bezien, wat er van de zaak is. .

Als onze groote reis maar niet wordt uitgesteld.

*Dat willen we niet hopen, en ik denk ook niet, dat we om dit onverwacht familiebezoek onze reis moeten opgeven."

Toen des avonds laat de broeders en zusters met elkander over het geval spraken waren ze niet erg vroolijk gestemd. „Ik weet het niet," zei Lena, „maar het wil me maar niet

erg bevallen."

„Als ze hem maar niet opeischen," zuchtte «ïl.

„Wie weet wat een raar boeltje het is, zulke Indische menschen," giste Lena, en allen waren van oordeel, dat het

Sluiten