Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel zoo aangenaam zou zijn geweest, als die Indische oom en tante nog een beetje waren weggebleven, of in 't geheel niet gekomen.

Op den bestemden dag gingen Karei en de pleegzoon naar Hilversum teneinde het beloofde bezoek aan oom en tante Van Moor te brengen. De villa, die zij bewoonden, scheen rijkelijk groot voor twee menschen zonder kind of kraai en er geheel op aangelegd, om een denkbeeld van rijkdom te geven. In den tuin, die de woning omringde, waren allerlei kostbare planten neergezet in een overvloed, die aan oosterschen plantengroei deed denken. Dezelfde overdaad trof men in huis aan, waar alles, zooals Karei later zei, vierdubbel te vinden was. De heer des huizes bleek iemand, die erg op zijn gemak gesteld was. Hij was kort en tamelijk gezet; zijn gelaat was bruin, zijn kortgeknipt haar grijs, en innemend kon men de uitdrukking van zjjn gelaat nu juist niet vinden. Hij lag min. of meer achterover in een gemakkelijken stoel, was gekleed in een lange gebloemde kamerjapon, en stak met een soort van genadige goedheid zijn hand uit, teneinde die door zijn nieuw gevonden neef te laten drukken. Ook voor Karei had oom een soort van medeljjdende vriendelijkheid; zoo de houding van iemand die gewend is dat ieder zich voor hem of voor zijn geld buigt.

„Geef mijnheer een stoel," gebood de man den knecht, die de beide Amsterdammers had binnengelaten. „Neem plaats jongen; en zeg me eens hoe je naam is; ik bedoel je voornaam."

De aangesprokene vertelde hem dat de gevraagde naam Piet Gelstaart was. „Ja juist;" viel oom in derede, „ik herinner 't me, zoo was de naam van je vader ook. Ik heb je vader nooit gezien, want ik ging al jong de wereld in; dat is de eenige manier om vooruit te komen. Maar nu bèn ik er dan ook, zie je. Je moeder was een meisje van een jaar of zestien, toen ik er vandoor ging; heeft ze wel eens over me gesproken?"

„Ik heb moeder verloren toen ik nog heel jong was."

„O zoo, ja, en ze wisten ook niet waar ik zat, weet je; want ik had niets van me laten hooren; dat gaat zoo. En hoe maakt mijn neef het nu bij u, mijnheer; ja hoe heet je ook weer; ik kan zoo slecht namen onthouden;" dus wendde de hooge man zich tot Piets pleegvader.

Karei had werk om zich goed te houden tegenover dit zelfzuchtige menschenkind; hij deed daarom net of hij de bedoeling van de vraag niet begreep, en antwoordde: „O, zijn gezondheid is niet van de beste "

„Ja, daar heb ik zoowat van gehoord. Is je borst niet goed jongen? Wat vertelt de dokter? Zeker meegekregen van de

Sluiten