Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oude lui. Ja, dat gaat zoo. Maar vertel me eens, wat doe je voor den kost?"

„Ik ben bij mijnheer in de zaak .... oom."

„Zoo, en wat is dat voor werk?"

„Mijnheer heeft een kaashandel."

„Een kaashandel?" vroeg oom op een toon van de hoogste verbazing en met een nadruk op 't woord kaas, of dat wel 't schrikkelijkste was, wat hij in zijn veelbewogen leven vernomen had. „Ja, zoo gaat het," vervolgde hij na een oogenblik; „zoo gaat het."

„(J schijnt niet veel met een kaashandel op te hebben," merkte Karei min of meer spottend aan.

„O, zeker, dat niet; ik heb er alle respect voor. U neemt me niet kwalijk, maar bij ons in Indië val je wel wat raar uit; dat zal ik wel niet meer afleeren, dat gaat zoo."

„Dat denk ik ook niet," meende Karei, die het noodig vond een weinig meer aan het gesprek deel te nemen. „Mag ik u vragen, hoe mevrouw vaart?"

„O, dank je wel, mijnheer; maar ik denk dat ze naar de stad of ergens anders heen is; ze heeft me van morgen zoo iets verteld. Ze reist zoo wat voortdurend heen en weer geloof ik; ze is verzot op Amsterdam ; maar ik houd het meer met buiten. Ik heb vrijheid noodig, zie je mijnheer; bij ons in Indië leef je niet zoo afgemeten als in een stad, ja, dat gaat zoo."

Karei haalde zijn spoorboekje voor den dag, om den trein op te zoeken, waarmee hij weer naar Amsterdam kon vertrekken. Doch oom bemerkte het, en verzekerde, dat hij minstens voor den geheelen dag op zijn gasten gerekend had. „Vanmiddag na den eten kan je gaan waar je wilt, maar voorloopig is er van vertrekken geen sprake. We hebben heel wat af te spreken, dat begrijp je, mijnheer. Je hebt dien jongen zoolang tot je last gehad, dat het niet meer dan billijk is, dat ik de zorgen eens up me neem. Het huis hier is groot genoeg, hij kan er best een paar kamers van krijgen, en kan een leventje hebben als een prins."

„Maar .... oom," begon Piet met een benauwd gelaat, dat in 't geheel geen blijdschap verried over het geluk, hem voorgespiegeld. Doch oom liet hem niet uitspreken. „Hoor eens jongen, je moet me niet tegenspreken, daar houd ik niet van. Alles is voor je klaar, je kunt er maar zoo intrekken, wat wil je meer? Ik heb er mijn hart op gezet om jou bij me te hebben. We vinden hier wel een baantje voor je, en anders bouwen we hier ook een kaaspakhuis, zoo mooi als je maar begeert. Ik heb altijd een bijzonder zwak' op je moeder gehad, en voor jou wil ik zorgen; dat gaat zoo.'

„Maar ik heb 't zoo goed, oom" — pruttelde Piet tegen.

Sluiten