Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deur open 'en nauwelijks in de gang gekomen stond hij een oogenblik als verstomd. Daar lag, op de marmeren steenen aan den voet der trap zijn pleegkind, een groote bloedplas kleurde de witte steenen en het tapijt rood, de arme jongen was van boven neergeslagen. Een paar dienstboden kwamen toeloopen, maar reeds was Karei tot bezinning gekomen, en droeg hij den knaap behoedzaam op zijn armen de kamer in, waar hjj hem voorzichtig op een sofa neerlegde.

„Gauw een dokter," beval oom.

„Ja, en breng me wat water," zei Karei min of meer zenuwachtig; „wat water en een spons of een handdoek."

De jongen lag bewegingloos uitgestrekt; zijn gelaat was doodsbleek; zijn oogen waren gesloten, en uit den half geopenden mond vloeide het levensbloed langzaam weg.

Karei maakte de kleeren van den knaap los, wiesch hem het aangezicht en wachtte met ongeduld de komst van den dokter af. Eindelijk kwam de arts en onderzocht den patiënt. Het onderzoek scheen niet zeer bevredigend. „Voor zoover ik nu kan nagaan is hij inwendig zwaar gekneusd, er schijnen edele deelen geraakt te zijn. Maar welke, dat is nog niet met zekerheid te zeggen. Zooals hij nu is kan ik aan geen degelijk onderzoek beginnen. We moeten eerst afwachten."

„Hij mag zeker niet vervoerd worden, dokter.

„Onder geen voorwaarde. Hier moet hij blijven liggen, en hij mag zelfs niet weggebracht worden naar een andere ka mer.''

„Maas dokter, daar zal mijn vrouw wel wat tegen hebben. Wij kunnen hier toch geen zieken houden."

„Het moet, mijnheer. Er is niets aan te doen."

„Maar dat is verwenscht lastig "

De dokter haalde de schouders op, en zich tot Karei wendende, gaf hij dien verschillende aanwijzingen, hoe hij in voorkomende gevallen te handelen had. „Ik kom van avond terug; tot zoolang tenminste blijft hij daar liggen.

Toen de geneesheer vertrokken was begon oom te brommen. „Het is drommels lam ; dat hem dat nu hier moest overkomen. Ge zult er van hooren; en dat net in deze kamer. Lag hij maar boven, of in de keuken desnoods, maar hier ... enfin, dat gaat zoo;" en de arme man was blijkbaar niets op zijn gemak over wat zijn vrouw zou zeggen.

Kom, kom," troostte Karei den man; „een ongeluk kan niemand voorzien. Hoe zou mevrouw dat kwalijk kunnen nemen. En in ieder geval, er is nu eenmaal niets aan te doen. Wij zijn hier en blijven hier, totdat we weg mogen. En ik hoop dat dit spoedig zal gebeuren."

Er hield nu een rijtuig voor het hek der villa stil. „De

Sluiten