Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koets, zei oom, „daar zal het beginnen» De oude vrouw komt tehuis en je zult van het lieve leven vernemen.''

HOOFDSTUK VI.

ALLERLEI OVERLEG.

De heer Van Moor had juist geraden. Uit het rijtuig, dat voor het tuinhek stilhield, trad mevrouw tevoorschijn, die driftig het kiezelzand over ging en de deur voor zich geopend zag. Onmiddellijk bemerkte zij dat er iets buitengewoons aan de hand was, en wilde dan ook dadelijk de zitkamer binnentreden, toen haar echtgenoot haar schoorvoetend in de gang tegemoet kwam.

„Is er iets, Albert.J" vroeg zij op snibbigen toon.

„Nou, en geen kleinigheid ook. Doch kom hier, dan zal ik je met een paar woorden alles vertellen." Zachtkens drong hjj haar in een andere kamer, waar mevrouw driftig haar handschoenen op tafel wierp, haar hoed denzelfden weg deed volgen, en daarna ongeduldig zich tot haar echtgenoot wendde met de woorden: „Nu vertel op, wat is er?"

Geen kleinigheid, Suze; dat kan ik je verzekeren."

„Maar spreek op dan toch; je maakt iemand dol met je getreuzel."

„Goed, maar houd je nu bedaard, want het geval is ernstig."

„Welk geval dan toch. Zeker met dat neefje van jou?"

Dat „neefje van jou" kwam er bij mevrouw zóo minachtend uit, dat de heer Van Moor schier den moed miste om voort te gaan, doch zwijgen ging ook niet. Hij raapte daarom al zijn durf bij elkaêr en zeide: „Je moet bedaard wezen, Suze, en niet zoo n heidensch kabaal maken. Ik ben geen klein kind. Ja, dat neefje van mij, zooals je blieft te zeggen, heeft hier een ongeluk gekregen. Hoe weet ik niet, maar hij is blijkbaar van de trappen gevallen, en heeft misschien een paar ribben of iets van dien aard gebroken. De dokter is er geweest en heeft bevolen, dat hij niet mag verlegd worden; hij ligt nu op de sofa in de zitkamer; een lastige plaats, dat geef ik toe; maar er is nu niets aan te doen; dus het is maar 't beste om je te schikken."

„Maar daar kan hij niet blijven; en wij kunnen hem hier niet houden."

„Nu, hij moet daar blijven, en het huis gaat de jongen niet uit, begrijp je. Ik wil hierin mijn zin hebben."

„Jou zin," antwoordde mevrouw met diepe minachting. „Maar kom, ik wil in ieder geval dat neefje zien."

Sluiten